Interviews

Interview uit Vrij Nederland
1971 © BIBEB

Toen ik haar telefonisch om een interview vroeg, bleef het lang stil voor ze met donkere stem op een toon waaruit moest blijken, dat ze dit als afgedaan beschouwde, zei: ‘ik ben daar niet geschikt voor’. Nadat ze er tenslotte mee akkoord ging, dat we het vrijblijvend zouden proberen, belde ze af omdat haar zoon, John, ziek was en ze kon niet meteen een nieuwe afspraak maken. De maandagmorgen, dat het experiment toch doorging, kwam ik de trappen naar haar woning aan de Nieuwedijk (Amsterdam) op met bij 3 verschillende bloemenmannen aangeschafte rozen (de tweede zei honend van de waar van z’n voorganger: ‘zeker van het Centraal Station’, de derde: ‘zeg maar, die 2 andere bossen heb je van de kat’). Ze stond op me te wachten in een porseleinblauw genopt huisgewaad tot op haar voeten (zilveren band om de enkel). In de keuken begon ze, omringd door vier blauwogige, beige siamezen met donkere gezichten, staarten en poten, de rozen klaar te maken voor hun vazen. Ik was me er al gauw van bewust dat ik te veel praatte maar kon het niet laten omdat zij nauwelijks reageerde. Ook niet naar me keek, behalve nadat ik van de patholoog-anatoom dr. Zeldenrust had verteld, die zijn Newfoundlander niet wou roepen. Hij zei: ‘ik kan hem niet binnenhalen, hij komt wanneer hij dat wil.’

‘Je wou toch niet zeggen.’ zei ze, ‘dat je het daarmee eens bent? Ik vind dat dieren gehoorzaamheid moeten leren.’ En na m’n antwoord’: ‘Ik zie ook niet hoe je een klein kind kan bijbrengen dat het iets niet mag zonder hem een pak te geven. John heeft er heel wat gehad hoor. Dat moet zo af en toe. Pats op z’n billen, dat vind ik heel goed. Ben je gek.’ Ze schonk koffie en we gingen de laatste trap op, kwamen uit in een grote (doorgebroken) ruimte met smal dakterras waarop potten met planten en een stretcher. Op het brede bed, aan de straatkant, een veelkleurig gebloemd en een fel rood laken met gebloemde kussens. Spiegels, tv, pick-up, bank, stoel, donkerbruin vast tapijt met van die lange ongelijke strengen waarop Adèle (de ogen achter gekleurde brillenglazen) plaatsneemt in lotuszit. Twee van de vier poezen die ons gevolgd zijn, nestelen zich ineen gestrengeld aan haar rechterzij.

Het viel niet mee. Slecht geïnformeerd (omdat het me beter leek had ik geen moeite gedaan dingen van haar te weten te komen) probeerde ik nogal radeloos de lange stiltes stuk te praten. Het duurde even voor ik door had dat je niet lang genoeg op een antwoord kon wachten en dat op het moment als je dacht, er komt niets meer uit, er toch nog van alles losbrak. Dus ging het de tweede keer veel beter. Het resultaat van de eerste maandag, van 11 tot 3 uur 30, is ongeveer zo.

WOEDE

Adèle Bloemendaal: ‘Woede, ik geloof in woede. Als ik kwaad ben heb ik wel dat er dingen loskomen die heel krachtig zijn. Rob Touber weet dat. Als er iets niet lukt bij opnamen, neemt hij de tijd tot ik waanzinnig kwaad ben. Nou, dat uit zich in vreselijk vloeken en dan gaat het. Als je erachter bent hoe dat werkt kan je de machine ook zonder woede in beweging zetten. Ik ben heel veel thuis, anders word ik gek. Je heb in mijn vak met zoveel verschillende mensen te maken. Ik heb daardoor de grootste behoefte aan simpelheid. Me bezig houden met essentiële dingen. Warmte eten, een schuilplaats — we noemen dit ons vogelnest — gevoelens van welbehagen, veel rust. Nee. niet eens mediteren, dat doe ik nooit en als ik lees zijn het vaak eenvoudige detectives. Rex Stout. Al houd ik ook van Muriel Spark, en Durrell. Maar ’t is gewoon anklooien. hoor.

Woede, ik geloof in woede.

Ik: ‘Een tijd eruit te zijn maakt je niet onrustig?’

A.: ‘Nee. tot het moment komt dat ik het gevoel krijg: ik moet weer wat doen. Als ik iets verschrikkelijk goeds zie op de tv is dat dan de laatste droppel. Eigenlijk hoeft het niet eens zo goed te zijn, gewoon leuk.’

Ik: ‘Ben je dan jaloers?’

A.: ‘Wel als ik iemand als Juliet Prowse (‘Sweet Charity’) zie die in alles even perfect is, schitterend kan dansen, prachtig is gebouwd en dan nog zo zingen. Daar val ik plat van op m’n bek. Dat maakt me kwaad, dat vind ik unfair. Maar het is geen jaloezie in de zin van hebberig.’

Vouwt de omslag van haar gewaad steviger om haar borsten en slaat de voorkant van de wijde rok als een luier tussen haar dijen. Soepel bewegend. ‘Als je je beroep goed wilt uitoefenen heb je geen leven. Ik verdom het. Ik wil niet alle avonden de provincie in en overdag lessen en alle dingen doen om je lichaam te onderhouden. Dat is voor mij niet goed. Leen (Jongewaard) en ik hebben bij onze nieuwe show bedongen dat we niet meer dan 16 avonden per maand werken, alleen in Amsterdam zijn we een volle maand.’

‘Als je je beroep goed wilt uitoefenen heb je geen leven. Ik verdom het.

Leen en ik: ‘We analyseren nooit, we blijven kinderen die zich verkleden. Van de week hadden we een heel belangrijke bespreking over onze show. Zakelijk. We zaten met die heren aan een mooie houten tafel. Leen en ik naast mekaar. Het ging over heel reële dingen, financiële, ik had het gevoel: dat is geen realiteit. Ik kijk Leen aan, doe alleen zo (beweegt een duim langzaam naar op zij en omlaag) dat is dan voldoende om onder tafel te zakken, gillend van het lachen. Of we zeggen, we kopen een elftal van ons loonzakje. ’t Heeft erg veel te maken met Kees de Jongen. Dat is mijn bijbel, ben er gek op. Als z’n vader doodgaat en dat verdriet waar toch ook iets geposeerds doorheen gaat, iets van er meer van maken.

Mensen in ons beroep, als we niet zouden kunnen optreden zaten we misschien allemaal in een gekkenhuis. Dat is nou toch keurig geregeld zo. We zijn exhibitionisten van de eerste orde. Niet in een klein donker steegje, maar gewoon vreselijk behaagziek, jezelf graag tentoonstellen.’

Mensen in ons beroep, als we niet zouden kunnen optreden, zaten we misschien allemaal in een gekkenhuis

JOHN

Na de verschrikkingen van premières, angst voor het publiek en ‘denken ik geef jullie allemaal voor de sodemieter helpt’.

John: Ik heb er wel aan moeten wennen. ‘t Eerste jaar is het uitsluitend strontruimen. Verschrikkelijke zorg. En nog, je vraagt je af, is ie wel gelukkig, doe ik het wel goed. Angst dat ie door mijn toedoen een kneus wordt. Maar ik weiger er boeken over te lezen. Ik verdom het. Dat ik niet elke avond de provincie in wil is ook om John. Je kan niet elke nacht om 2 uur thuis komen en ’s morgens fris het ontbijt klaarmaken. Heel praktische redenen dus. Ik ben geen super-moeder. Ik moet gewoon wel een vast punt zijn.

Donald Jones (Johns vader) en andere minnaars: ’Het blijft familie. ’t Zijn in de eerste plaats mensen met wie je een tijd hebt doorgebracht, dat geeft een band. Niet fysiek meer natuurlijk. Ik ben erg monogaam als ik me op iemand geconcentreerd heb.’

Ik: En als die met een ander gaat?’

  1. (kwaad): Dan houdt het bij mij op. Daar kan ik niet tegen. Dat gezwets, je moet niet egoïstisch zijn, dat is gewoon niet waar. Ik ben erg radicaal. Ze proberen je te brainwashen, invloedrijke mensen, die gewoon suggereren dat dat het ideale zou zijn. Nou. daar ga ik als een snijbrander recht doorheen. Dat is goed voor als je emotioneel niet aan iemand gebonden bent. Misschien dat deze jongere generatie het wel opbrengt en die patroonsverandering plaats vindt. Ik kan het niet. Ik laat me dat niet opdringen. Ja, ik ben erg driftig. Driftbuien. Ga schreeuwen, ik kan me als ik kwaad ben niet beheersen. Maar ik heb nooit hartzeer van wat mensen doen, nooit van: grote god, wat zijn ze gemeen. Ik verwacht sowieso niet veel van mensen. Ik vind het wel es leuk mensen te ontmoeten die gewoon een aantal belangrijke dingen zien en zich niet laten afleiden. Geen bewustzijnsvernauwing hebben omdat ze alleen maar denken aan hun carrière.

Ja, ik ben erg driftig. Driftbuien. Ga schreeuwen, ik kan me als ik kwaad ben niet beheersen. Maar ik heb nooit hartzeer van wat mensen doen.Nee, ik ga nooit naar iets kijken, dat is schandalig hoor. Nooit naar films. Op tv kijk ik wat mijn vak betreft naar Flying Circus, Hadimassa, Johnny en Rijk, voor Johnny. ’t Is eigenlijk vreselijk zoals we leven, alles op ons zelf gericht. Je verleert het entertainen, dat vermogen verdroogt. Ik bedoel als je iemand aardig vindt en die komt, kan je die zich niet comfortabel laten voelen. Dat is het nadeel van geïsoleerd leven. Wil je nog koffie?’ Staat op.

Even later. Heeft haar bril afgedaan en is bezig, kijkend in een spiegeltje, donkere ogenschaduw aan te brengen.

Ik: ‘Ben je bijgelovig?’

(Na lange stilte, met bijna toegeknepen ogen): ‘Ja. omdat ik, waar ik groot gebracht ben… in de Jordaan… daar waren oude wijven met kaarten. Gebochelde Anne, schele Stien, m’n eigen grootmoeder. Dat is er met de paplepel ingegaan. Dat raak je nooit helemaal kwijt. Ja, kaarten, voorspellen.’

Ik: ‘Hoe was gebochelde Anne?’

A.: ‘Had een hekel aan kinderen, dat kon ik niet hebben.’

Ik: ‘Je wou erbij?’

A.: ‘Nou ja. het had te maken met gezellig bij mekaar bij de koffie met van die gebroken koek. Speculaas en zo’n (buigt zich voorover, gebaar of ze iets betast) ‘en zo’n harig tafelkleed, pluche, in het midden een kanten kleedje, helemaal doorzichtig.’ Kapt andere vragen af met ‘Ik heb een slecht geheugen’. Zegt nog wel dat ze hield van verkleden.

‘Ja met gordijnen om en spreien, ook allerlei hoofddeksels en wat alle kinderen doen met grote schoenen van hun moeder. Spelen, geheimzinnige toestanden, dramatisch.’ Lange stilte. ’Je hebt Andrea Domburg geïnterviewd. Dat heb ik gelezen. Voor Andrea, ik ken haar niet, ze heeft me es één keer opgebeld, heb ik vreselijk grote instinctieve sympathie. Prachtige actrice. Neemt geen genoegen met uiterlijkheden. Ik heb haar in Beckett gezien. ’t Was de eerste keer dat ik om toneelspel gebruld heb. Doe ik nooit, niet gauw tenminste. Ook die bereidheid van haar zich zo afgrijselijk lelijk te maken. Ja. dat is iemand die ik mijn vertrouwen wel zou kunnen geven.’

Er verschijnt iemand op de bovenste trede van de trap. Tenger, donker, schouderlang zwart haar. Adèle zegt: ’Victor, dag, wil je thee. Ik kom.’

EEN WEEK LATER

… Week later. Tien uur 30. Ziet er erg mooi uit. Geen bril, dramatische oog-makeup, zandkleurig huisgewaad met applicaties: grote groene bloemen. Zegt verontschuldigend: ‘Ik dacht dat de fotograaf mee zou komen.’ Er blijkt dat plotseling besloten werd om met vakantie naar Kreta te gaan. Ze gaan diezelfde week nog. Zodra we boven zijn gaat ze op haar knieën voor enkele fraaie boekwerken (op het tapijt) vol foto’s van de antieke schatten die op Kreta te bekijken zijn. Haar ogen tot geen 10 cm van de tekst, dat, wat Rob Touber haar batterij van een kont noemt, maar door beeldhouwer Rudi Rooijackers (o.a.) bezongen is in termen van schitterend – zeldzaam – prachtig – omhoog, leest ze een passage hardop. Vertelt lenig overgaande tot de lotuszit van de natuurramp die Kreta vele jaren voor Christus trof, de gloeiende as die alles bedekte ‘er waren verschrikkelijke hoeveelheden dooien en daardoor zijn er natuurlijk veel voorwerpen intact gebleven. Ik ga dat allemaal bekijken. Ik zou m’n hele leven niets anders willen dan lange reizen maken. Als ik veel geld had zou ik expedities financieren. Ik zou archeoloog willen zijn.’

Victor blijkt die liefde niet te delen, hij houdt van het strand net als John en strand is daar natuurlijk ook.

Victor Kaihatu: ‘Hij is Ambonees; Ik vind hem erg mooi, net een wild beest uit Zuid-Amerika. Hij is heel erg terughoudend.’ En weer voorover, bijziende ogen, tot vlak boven de pagina’s: ‘Het zet je fantasie zo vreselijk in werking. Ik ga er veel over lezen. Kijk dit The end of Atlantis en dat is van Henry Miller, die is er ook geweest, The Colossus of Maroussi.

Ik hou niet van Millers andere boeken, hij liegt, wil zich interessant maken. Ik vind hem om te trappen. Z’n verzinsels geven wel een portret van hem zelf. Een klootzak.

Als je veel geld hebt kan je daar overal naar toe. Ik moet er voor zorgen dat ik, als ik een oud dametje ben, zoveel geld heb dat ik dat op m’n gemak kan doen.’ Ze blijft prevelen over de badkamers van die mensen voor Christus, met geschilderde dolfijnen op de muren, het spelen met dieren, hun gevoel voor kleuren en begint aan de legende van een prinses.

Ik zeg dat ik Ton Koolhaas sprak en dat die zei: ‘het is heel goed, dat je nu es naar Adèle Bloemendaal gaat’. Ze schiet overeind. Koolhaas zegt ze, die schrijft over dieren zoals ik ze zie. ‘Hij geeft ze een gedachtewereld. Wat is het voor een soort man. Zo iemand interesseert mij. Ik lees z’n toneelkritieken in Vrij Nederland alleen omdat hij zo over dieren schrijft. Toch begrijp ik niet waarom hij zo schrijft, die kritieken, hoewel hij het erg goed doet, zoals er toneel gespeeld wordt is zo voor de hand liggend, zo oninteressant. Maar die dieren, de namen die hij ze geeft, het belangrijk doen en bepaalde woorden die ze met wellust bezigen. Er zijn ook (korte harde lach met felle è-klank waarbij haar mooie mond niet eens veel breder wordt maar je wel boven en ondertanden ziet) bepaalde klerelijers bij, zo’n rat, die geniepig gaat worden, weet je wel, als hij dat gevoel niet krijgt. Het is toch om te kotsen dat mensen zo hypocriet zijn. Zo van: hoewel ik er dol op ben moet walletje bij schuurtje blijven. Die zouden ook wel zo wild willen zijn, beetje wreed en met behoorlijk veel macht.’

WREED

Ik kan veel mensen laten sterven, van collega’s bijvoorbeeld trek ik me heel weinig aan. Behalve die mijn trouw verdienen, die volg ik. Toen in Ibiza (opnamen Pipo) ik zag dat Meuldijk volslagen incompetent was, er geen moer van afwist. In alle opzichten een klootzak. Dan trek ik me er niks van aan waar ik collega’s in stort, en of ik een contract heb, dan pak ik m’n koffers en ga weg. Dat is niet netjes, dat doe je niet. Ik voelde me wel beroerd, had een ingewandsziekte, maar als ik met iemand gewerkt had die het waard was, had ik rustig doorgegaan. Maar met zo’n man, dan ga ik er als een snijbrander doorheen. Al zou dat betekenen dat alles in de stront zal zakken. Maar of je dat nou wreedheid kan noemen? Ik heb wel erg weinig, ik heb niets voor zulke mensen over. Maar er is een aantal die ik het nooit zou flikken. Ik ga er gewoon van uit dat ik er nog 20 jaar van moet vreten en niet heel slechte dingen wil doen.’

Ik kan veel mensen laten sterven, van collega’s bijvoorbeeld trek ik me heel weinig aan. Behalve die mijn trouw verdienen, die volg ik.

Vertelt dat haar gedeelte in de Pipo-film tenslotte toch door Rob Touber werd geregisseerd en later is ingepast. Zet zich kwaad af tegen de onprofessionele instelling van sommige omroep-kringen ‘als het maar gezellig is’. Volgens mij is dat ook de reden waarom ze niet in Blonde Greet wou spelen hoewel ze erg graag een filmrol wil. Maar ze weigert hier op in te gaan: ‘Ik ben erg op Appie Mol gesteld, hij is een erg lief iemand.’

Telefoon. Ze praat in de hoorn dat Yvonne, haar zusje, van een reis naar Moskou terug is en op de poezen wil passen. Dat Eli Assers tekst voor de nieuwe show al binnen is en erg leuk, actueel en John paardrijlessen heeft. ‘Hij verzint er allerlei dingen bij, dat zie je aan z’n gezicht, hij is Bonanza, het komt niet in hem op dat hij eraf kan lazeren.’

John: (laat foto’s zien) ‘Hij is bruin zoals Donald. Z’n lichaam is schitterend, daar kijk ik erg graag naar. Het is wel een leuk kind, je kan erg met hem lachen. Ontzettend veel fantasie, tekent leuk, leest als een raaf, bijna zo snel als ik. Ik hoef hem niet vaak meer voor te lezen.

Hij wil dat ik m’n haar laat groeien. Is verliefd op een meisje met lang blond haar, Jolanda, en vindt dat ik op haar moet lijken (korte harde lach). Een hele opgave natuurlijk, ik met m’n dikke reet. Ik geloof dat ik met wat ik vorige keer zei een te brave indruk maak. Ik ben monogaam als ik een man heb. De tijd dat ik alleen was nam ik af er toe es iemand op gezette tijden. Ja, ik kies, het gaat altijd van mij uit. Daar heb ik wel es moeilijkheden mee gehad. Ja, je houdt je niet aan de regels en dat mag niet. Je schijnt eerst samen te moeten eten, die tussenfase mag je niet overslaan, dat willen de heren dikwijls niet. Ze willen allemaal de formule afwerken. Ook de illusie hebben, dat het van hen uitging. ’t Is zo onvolwassen. Als ze niet willen? Nou god dan heb je pech, nietwaar, Maar ik kies, dat vind ik een van de grond-dingen. Alles wat Dolle Mina propageert heb ik al jaren moeiteloos in praktijk gebracht.’

John: ‘We hadden hem niet gepland. Ik was wel kwaad, ’t was even wennen. Toen ik hem eenmaal had … je gaat je hechten hè. Eerst is het een klompje vlees in een roze pak dat gaat dood als je er niet voor zorgt. Langzamerhand wordt het een persoon waar je een beetje mee kan lachen en nu ik weet hoe het is en als ik jonger was geweest, had ik er beslist nog één bij genomen. Nu begin ik er niet meer aan, ’t is te gek. Ik zou ’t wel kunnen fysiek, maar ik ben nou al een zingende huisvrouw. Zestien voorstellingen in de maand. Ik wil toch nog een paar dingen in m’n beroep doen. Eindelijk es een keer intens… Dat moet toch wachten tot John wat ouder is. Ik ben 38, als ik m’n carrière in de 50 zou beginnen, ik zeg niet dat het niet zou kunnen, maar ik doe het liever nu ik m’n vitaliteit nog helemaal heb. Met intens bedoel ik meer en bekwamer werken. Eindelijk echte technieklessen en wat danslessen. Techniekbeheersing, zodat ik 4 uur kan doorzingen zonder vals te gaan. Ik geloof, Jasperina doet dat moeiteloos, ik moet er zo godverdomme hard aan werken, ’t Is heel fijn als je de techniek zo beheerst dat je meteen aan de interpretatie kan beginnen.’

GEWASSEN

Zegt dat ze vroeger veel vaker in de war was, heeft geleerd zich niet in de war te laten brengen door bijzaken. Op de vraag of ze in de vernieling raakt als ze kapt met een man: ‘Als je door een boel water gewassen bent heb je de zekerheid dat je dingen in werking kunt stellen. Je weet de omvang van zo’n ramp. Hoelang het duurt om over iemand heen te raken. Je weet dat er een dag komt dat je denkt: ben je nou belazerd (harde lach). Nou zoals alles passeert.’

‘Ik ben erg jaloers, zo wijs ben ik dus niet. In verband met een man, niet in mijn beroep, bijna niet.’ Barst uit na m’n relaas over iemand die eeuwig doorgaat met het risico er door bij neer te vallen: ‘Godverdomme nee. Als ik ouder ben en er zijn jonkies die heel erg fijn zijn dan doe ik een stap terug, dan ga ik een gracieuze stap terug. Zoveel is me dat echt niet waard.’

Het lekkerste: ‘Mensen aan het lachen maken, het bedenken en prepareren en in die periode ook hard lachen. Ik ben blij dat Rob dat inziet. In het begin liet hij me een enkele keer dingen doen, vedette dingen. Ik vind die alleen leuk als na een schitterende opbouw zo’n mens struikelt en in mekaar stort. Slapstick. Ik doe het nog niet goed genoeg. Ik moet het gewoon méér doen.

Vooral ontluisteren vind ik lekker. Alles wat eigenlijk niet echt is, sentimentaliteit, noem maar op. Een voorbeeld? Nou dat oude wijfie. ’t Is maar een detail hoor. Oude moeder zit bij het wiegje van het zieke onechte kind van haar dochter, gestorven in het kraambed, na zwanger gemaakt te zijn door een onbekende man. Ik zing die smartlap en opeens hup de baby zo weggooien. Ja (lacht), heb ik bedacht. En heel langzaam de vernieling inzakken en ons vreselijk lelijk maken. Leen en ik willen ook hele vieze mensen doen, ouwe vieze mensen. We weten nog niet precies wat, zwervers of zo’ (glimlacht, mondhoeken een eind omhoog). ‘Spelen, fantaseren doen Leen en ik altijd. Het fijnste van het ‘Schaep’ was de manier van repeteren. Dat ging zo: (snel overeind) dat is het dressoir, daar is de tafel en daar… Zoals kinderen doen. Ik hier, en daar staat m’n dinges.’ (voortreffelijk, exacte gebaren) ‘Zoals je vroeger speelde op straat. Ik hoop dat het zo blijft, het toneel. Ik geloof wel dat dat toneelspelen is, daar moet je niet te ver van weggaan. Lekker verkleden en afspreken.’

‘’t Zal je kind maar wezen’: ‘Als Door stond ik er achter maar privé wou ik het nooit zingen. Ook op het Grand Gala du Disque heb ik dat verdomd. Het hoorde helemaal in het Schaep, maar je mag zoiets nooit zo maar los zingen.’

Het Schaep: ‘Het was natuurlijk een lucratieve zaak. het is ook de eerste keer dat ik aan een plaat wat heb verdiend. Daarom denkt iedereen dat je er alles voor zal laten vallen. Wij niet. We zijn helemaal vol van onze theaterproductie. Wat is er nou fijner dan iets leuks doen? Je kan natuurlijk van alles met geld. Dat ik nu heb opgebeld om vliegtickets voor Kreta, was 2 jaar geleden iets onbestaanbaars. Dat is nog een staartje van het Schaep. In ’66 toen ik bij Ensemble was en voor repetities moest naar Ruud Bos ben ik gaan lopen, had geen geld voor de tram.’

Geld: Ik heb het nou nog niet. Als je een heleboel wil verdienen moet je er verschrikkelijk hard voor werken. Esther Ofarim die met 3 liedjes, al jaren op haar repertoire, voor de tv komt krijgt 11.000 gulden. Ze eist dat. Ze krijgt het omdat ze uit het buitenland komt. Voor een show waar Leen en ik ons het bloed onder de nagels uitwerken, krijgen we een bedrag… nou ja, veel minder. Omdat je met een show komt die niet voor het grote publiek is. Je dingen doet die je leuk vindt.’

In ’66 toen ik bij Ensemble was en voor repetities moest naar Ruud Bos ben ik gaan lopen, had geen geld voor de tram.’

Film: ‘Zou ik graag willen. Nee, ze hebben me nooit gevraagd. Misschien blijft het beperkt tot mensen die mekaar goed kennen. Nee, ik kom nergens, niet op de Kring, nooit. Ze zijn zich misschien niet van m’n bestaan bewust.’

VROEGER

‘Ja vroeger wel, in de Pleintijd. Elke dag naar het (Leidse) plein en daar alle kroegen af tot vier, half vijf. Daar kots ik echt niet op maar ik moet er toch niet méér aan denken. Ik zit nu al om 11 uur te gapen. Totaal geen behoefte, nee. Het was een tijd zonder verantwoordelijkheid, weinig geld en toch heel zorgeloos. ’t Was een hele vaste kern, mensen met onderling een vrij sterke band. Hutje bij mudje leggen voor de maaltijd. Leuk, je was vrij. Ik was met Donald. In ’64, nee (harde lach) in ’63 is John geboren. Af en toe kom je nog wel es zo iemand tegen, voel je een beetje nostalgie, jeugdsentiment. Vorig jaar was ik wel jaloers, toen de Dam nog zo’n echte ontmoetingsplaats was. Nu niet meer, nu is nee daar gewoon verkleed. Maar toen dacht ik, ze kennen mekaar goed, de Dam is hun plein.’

‘Jawel, ik zie erg tegen op ouder te worden. Dat je misschien niet meer copuleren kan, dat ze je niet lekker meer vinden. Ik wil het nog een tijdje blijven doen.

Ik hoop het zo… ‘t Is waar, ze vinden van alles uit, tegen die tijd moet ik iets laten doen, chirurgische ingrepen. Ik denk ook dat middelbare mensen veel met fantasie doen. Er komt toch verschrikkelijk veel fantasie bij.’

‘Jawel, ik zie erg tegen op ouder te worden. Dat je misschien niet meer copuleren kan, dat ze je niet lekker meer vinden.

‘Voor groepsseks ben ik te jaloers. Ik zou het wel leuk vinden met 2 mannen, dat is niet consequent natuurlijk. Mannen willen altijd 2 vrouwen, je bent dan niet meer dan een object. Mannen zijn toch verschrikkelijk oneerlijk. Ze liegen of ze willen dat je je als vrouw geweld aan doet door te zeggen dat je alles goed vindt. Victor is jaloers, dat vind ik uitstekend. Maar ik zal nooit expres iets doen. Verliefd ben ik niet zo gauw. In ieder geval moet het erotisch kloppen. De manier waarop ik seks ervaar, dit (vingertop op voorhoofd) betekent erg veel. Niet alleen dom gebonkel, vooral het denken van iemand en het voelen. Victor speelt bas en basgitaar. Hij is de beste basgitarist in ons land. Hij speelt zoals hij is. Er is niet veel hypocriets en oneerlijks aan hem, bijna niets. Hij uit zich heel moeilijk. Waardoor er veel meer inwendig gebeurt, dat geeft een enorme reserve aan energie en als die los komt… Ik vind ook zoals hij staat met z’n bas, de vrouwelijke vorm van zo’n bas, net zo groot als hij en die zo met z’n been tegenhoudt, net het bespelen en omarmen van een vrouw. Dat vind ik een mooi gezicht. Ik heb altijd van bassisten gehouden, dat beeld bedoel ik, ik vond het altijd een erotisch gezicht. Meestal hebben ze mooie handen.’ Is opgestaan en heeft alles met beeldende gebaren begeleid. Vraagt of ik wat drinken wil. Zegt, handen gevouwen bij haar mond, lijkend in haar lange jurk op een sensuele engel: ‘Als ik thuis ben, niet werk, drink ik nooit alcohol. Dat komt je neemt sherry en nog es en dan wijn en alles bij mekaar wordt dat te veel.’

Bij thee met brood en marmelade: Ik ben dol op eten. Vraatzucht. Allerlei broodsoorten, wat funest is. Alcohol ook, lekker veel wijn. Om de smaak. Daar ben ik ook onmatig in. Iemand die matig is daar heb ik bewondering voor. Een elegante vrouw (speelt) wel opgevoed die zich beperkingen kan opleggen. Een vrouw die zegt: ‘nee (stemmetje) ik heb nu voldoende’, (keiharde lach) ‘kleine muizehapjes neemt’. Daar ben ik een beetje jaloers op, dan denk ik: en ik met m’n dikke reet…’

‘Moeilijk hoor. Rob houdt het in de gaten, zegt dingen, dan word ik kwaad en ga ik er iets aan doen. Er zijn periodes, zoals met het Schaep, moest ik gezellig gevuld zijn. Toen we daarna met de show begonnen… Rob heeft vreselijke dingen gezegd. Ik ben er een week kapot van geweest. Hij doet dat expres, hij weet dat woede goed voor me is.’

Ik ben dol op eten. Vraatzucht. Allerlei broodsoorten, wat funest is. Alcohol ook, lekker veel wijn.

Luistert naar het enthousiasme dat ik zo duidelijk mogelijk probeer over te brengen van wat je toch echt geen enge mannen kan noemen, voor Adèle Bloemendaals lichaam. Ze zegt: ‘Je hebt het af en toe wel es nodig zoiets te horen. Kijk, het zijn heel mooie sierlijke jongens die voor je kleren zorgen. Voor die kinderen moet het allemaal dun zijn en daar krijg ik wel de vliegende hondenziekte van. Je gaat je voelen als een rinoceros. Ik heb een tijd gehad dat ik niet in de spiegel dorst te kijken, geen kleren durfde kopen, alleen mooie lingerie, mooie gewaden voor thuis. Die hotpants, dat was ook een klap voor me, die had ik zo graag gehad. Een arts heeft me injecties gegeven, waardoor je vet oplost. Na drie dagen voelde ik me zo verschrikkelijk leeg. Ik kwam thuis, heb een pond speculaas achter mekaar opgegeten, vijf boterhammen en een halve fles sherry, wijn. Rob heeft wel gemerkt dat ik wat hij zei dermate had aangetrokken, dat het ’n obsessie voor me werd. Daar heeft hij wel rekening mee gehouden toen. Ik heb er echt van alles aan gedaan, je wordt onzeker, je voelt je niet lekker meer. Ik moet het maar accepteren, het is mijn bouw. Als een gezonde Zeeuwse meid.’

LEEN

Onzekerheid: ‘Ik heb gemerkt dat het ook een kracht kan worden als je het opneemt in je werkproces. Leen zal altijd lullig beginnen, ik wil er meteen zijn. Hij begint met helemaal niks, dat is zijn werkmethode, zijn kracht. Dat probeer ik nu ook. Hij vindt dat ik te veel meteen de blitz wil maken.’

‘Dat ben ik aan het afleren, desnoods liever eerst slecht en dan langzaam naar goed dan mikken op de makkelijke lach. Leen heeft van z’n beperking een deugd gemaakt. En hij heeft het niet kado, Jezus Christus nee, die niet, hoor. En wat Leen heel goed begrijpt zijn de boosaardige criminele trekjes in elk mens. Hij is in geen enkel opzicht hypocriet.’

‘Volgende week zitten we op Kreta. Begin van het jaar ben ik in India geweest met Rob, 10 dagen. Ik moest een lied zingen, zittend op een olifant. Door een rare relatie kon Rob die reis krijgen. Het lied is ook doorgegaan maar de VPRO wou het niet. Ze vonden, terecht,: in India is al zoveel ellende, daar past niet een decoratieve juffrouw op een olifant bij. We hebben tochten gemaakt. Een keer kwamen we bij een rivier, ik vond dat die stonk. Toen zag ik opeens dat hij vol lag met lijken. Ik had wel een zootje aasgieren zien fladderen maar ik had m’n bril niet op. Ik had nog nooit een dood mens gezien en daar opeens die lijken, een roofvogel had een stuk vlees in z’n bek. Toch gaf het me haast geen schok. Maar ’s avonds laat heb ik gebruld en 2 dagen kon ik geen vlees eten. Daarbij kwam nog, de hele dag had me een jongetje gevolgd, daar heb ik ook last van gehad. Dat kind wou bij me zijn en die kuchte raar, zag er niet goed uit. Vreselijk. Maar die prachtige landschappen, met buffels, de vrouwen en de kinderen, ik wou er om de haverklap eentje meenemen, het is zo overweldigend.’

‘In New Delhi zagen we een vrouw die was in de grond aan het wroeten. De gids zei: ze zoekt wormen. Die vrouw zocht een worm om te vreten. En vijf minuten later zie je een moskee, zo verschrikkelijk schitterend, zo erotisch ook. Dan heb je een gevoel net als bij die rivier, dat landschap, het prachtige jongetje met tulband en dat zootje lijken… Ik geloof dat het komt omdat je het half verwacht, daardoor dringt het niet helemaal tot je door, meteen. Je denkt, oh ja, daar ligt een mens, een stuk vlees wordt weggepikt. Ja, ’s avonds was ik ervan in de war.’

Er wordt gebeld. Ze gaat naar het trapgat en trekt aan het touw dat verbonden is met de voordeur. Wacht, kijkt, roept: ‘John, ik ben hier.’ Een vrolijk kereltje met lange benen, wijd uitstaand zwart kroeshaar nat van de regen. Ze gaat droge sokken voor hem pakken en hij geeft blij lachend (voortandjes weg, wisselt) een klap op haar door soepel textiel bedekte bil.

REGISSEUR ROB TOUBER OVER ADÈLE BLOEMENDAAL

Rob Touber (1936-1975): ‘Adèle Hameetman ging, getrouwd met Bloemendaal (Wat was-ie ook weer? Een vlieger of zoiets, geloof ik …) naar Amerika. Ze woonden in Los Angeles. maar na een paar jaar kwam ze terug. Alleen. Speelde een tijd bij het kindertoneel, Arena, hekserollen. Heksen, daar is ze nóg gek op. Was bij Jaap van de Merwe’s Leidseplein Cabaret, bij Sieto Hoving, Johan Kaart, Max Tailleurs, Doofpot, Rudi Carrell, Albert Mol, Lurelei. Had kleine rollen bij Ensemble. In die laatste periode begon onze samenwerking. De combinatie is nu 5 jaar oud. Ze zat in mijn eerste programma met Jaap van de Merwe en Ruud Bos voor de VPRO in ’65. Ze is bij mij nooit 10 minuten te laat gekomen, nooit weggelopen, heeft zich nooit onsympathiek gedragen. Heeft nooit iets laten zakken, ook niet als ik haar niet zulke goeie dingen in de maag splitste. Ze zei dan hoogstens ‘Magere troep, hoor’.

Kijk, ik wil dat ze voor een groot publiek het appeal krijgt dat ze voor vakmensen en pers allang heeft.

Haar moeder zei wel es (roept met schelle stem door de telefoon) ‘Dellie, op jouw leeftijd met je blote kont voor de tv…’, maar eigenlijk heb ik al die jaren mijn best gedaan die image tegen te gaan door haar hoog gesloten te laten optreden. Kijk, ik wilde dat ze voor een groot publiek het appeal kreeg, dat ze voor vakmensen en de pers allang had. Ik wilde ook graag platen met haar maken en die platen zowel als de shows krijg je alleen gedaan als zeker is, dat er een groot publiek voor is. Dus moet je die lullige, niet essentiële factor, die dat tegenwerkt, het bloot, uitschakelen. Natuurlijk is ze bloot mooi maar je weet toch dat ze drie jaar geleden van TeleVizier de zilveren citroen heeft gekregen, omdat over haar de meeste kwaje brieven kwamen, vooral van vrouwen uit het Oosten van het land… Ik heb ze gezien! ‘Vieze Del blijf bij je kind.’ En: ‘Vieze del ga naar je negers.’ Dat soort…’

Daarom gaat het argument, dat is aangevoeld toen ze niet meer in het ‘Schaep’ wou, niet op: ‘Je mag het publiek niet laten zitten’. Dat deel van het publiek dat haar als Tante Door bewonderde wou haar als Adèle Bloemendaal eens onmogelijk maken. Weet je dat ze als Tante Door dagelijks brieven kreeg met ‘Wat zit uw haar leuk. Naar welke kapper gaat u?’ Geen wonder dat ze soms denkt ‘Me reet’.

‘We hebben alletwee aan alle kanten mogelijkheden om met anderen te werken, doen dat ook soms wel. Maar je merkt steeds weer dat je op elkaar terugkomt. Als je elkaar zo goed begrijpt, maakt dat zoveel dingen gemakkelijker, sneller. Een woord, een blik en we hebben elkaar door. En tenslotte zijn de resultaten er ook naar, dus niemand kan er iets op tegen hebben. Het volgend seizoen doen we die Bühneshow. Met Leen Jongewaard. En met Kika Mol en Rob van de Meeberg. Geschreven door Guus Vleugel, Jaap van de Merwe en Eli Asser. Dat heb ik als voorwaarde gesteld, toen ze ons vroegen: dat we díé auteurs konden krijgen.

Interview in het tijdschrift “Opzij” uit februari 1996
Geplaatst met vriendelijke toestemming van Mevr. Elisabeth Lockhorn
© Elisabeth Lockhorn
© foto’s : Jose Groot

Ze had veel last van het vooroordeel minimaal met z’n tweeen te moeten zijn. Maar nu ervaart ze geen vaste heer in huis als een bevrijding. Ze vindt dat je tegen iedereen mag liegen, behalve tegen jezelf. En als het moet, speelt ze gewetenloos het lieve meisje. Een gesprek met Adèle Bloemendaal (63), een entertainer die als een man geleefd heeft, altijd haar eigen gang ging

De woede van Adèle Bloemendaal over ouder worden en de dood
Met een brilletje op haar neus begint ze voor te lezen uit een bloknote : “Er worden mensen geboren in het besef dat ze een vrouw zijn, gevangen in het lichaam van een man. Dat kan verholpen worden in het AMC. Ik werd op een ochtend wakker en ontdekte dat ik een speels jong meisje was, gevangen in het lichaam van een van oude van dagen. Dat kan niet verholpen worden in het AMC.” Ze kijkt even op en zegt : “Zo ben ik net een reisverhaal begonnen over Indonesië voor het blad Grasduinen.” Citeert dan verder : “Dit zinloos verzet tegen het onontkoombare resulteerde in een indentiteitscrisis, podiumvrees, jarenlange depressies en drankmisbruik. Net toen ik doende was uit het dal te kruipen, werd ik benaderd door Grasduinen.”

Legt dan resoluut het bloknote weg en zegt : “Ik heb een jaar achter de rug van, nou ja, pech kun je het niet noemen, want het was eigen schuld, dikke lul. Mijn programma zou net verkocht gaan worden en toen kwam ik een keer dronken thuis en sneed mij bij het afsnijden van een stukje kaas tot op het bot in mijn duim. Ik deed er een pleister om en ging slapen. Een week later was de duim zo geïnfecteerd dat ik ermee naar de eerste hulp ben gegaan. Om twaal uur ‘s nachts heb ik een spoedoperatie gehad. Binnen elf dasgen ben ik nog twee keer geopereerd onder volledige narcose. In augustus werd er nog een laatste operatie uitgevoerd. Voor ik het wist, was het hele jaar onder mijn handen vandaan gegleden. In feite zijn het twee rotjaren achter elkaar geweest. Je kent toch het verhaal van Jenny Arean en mij? Hoe we naar België gingen om af te slanken? We wilden er goed uitzien voor ons nieuwe programma en Jenny wist een arts in Gent. Ik heb die rotzooi ruim drie maanden genomen. Naderhand bleken het amfetaminen te zijn. Ongemerkt werd al mijn weerstand weggevreten. Toen ik voor een routinebezoekje naar mijn huisarts gingm stuurde hij me onmiddellijk door naar een cardioloog. Ik bleek ernstige hartstoornissen te hebben. Dat hebben ze weg gekregen, maar zodra ik koorts krijg of er sprake is van stress komt het terug. We waren bijna een jaar bezig geweest met uitzoeken van materiaal voor onze show, zouden in december gaan repeteren. Vlak daarvoor heb ik iedereen bij elkaar geroepen, gezegd: jongens, dit gaat niet. ik weet wat er komt kijken voor zo’n seizoen, ik kan het niet.”

Jacques Klöters, een van jouw tekstschrijvers, schreef er een mooi stukje over in Vrij Nederland. “Er wordt gefluisterd over de stapel doktersattesten waarmee ze haar hele leven onder contracten is uitgekomen, maar wij hebben geen doktersattesten nodig, niemand voelt zich belazerd, en zeker Jenny niet……..”

Opgetogen : “O, dat vond je mooi? Daar zijn veel mensen kwaad over geworden. Zeiden : dat is slecht voor je carriere. Maar ik was blij met dat stuk. Maar ach, wat gefluisterd werd, is ook waar. Als ik in het verleden ergens onder uit wilde, greep ik alles schaamteloos aan. Ziekte, of de dood van een geliefd iemand. Ik heb ook veel gelogen. Daar ben ik nu voorzichtiger in geworden. Ik denk nu heel goed na voor ik ergens instap.”
Jacques eindigde het stuk met het lied dat hij ooit voor jouw schreef en dat jij als je lijflied beschouwt. De laatste regel luidt : “Mij krijg je niet kapot.”
Is heel lang stil, zegt dan : “Dat is geschreven in 1990, toen had ik deze twee jaren nog niet achter de kiezen. Ik had toen nog een zekere bravoure. Dat is nu even een beetje onder me weggeslagen. Het zijn twee jaar van grote schrik geweest. Het heeft me voor het eerst met mijn neus op mijn leeftijd gedrukt. Dit was de eerste confrontatie met mijn sterfelijkheid. Ik wist niet dat schrik zo lang kan duren. Pure ontzetting, volslagen ontreddering en daarmee volledig gepreoccupeerd zijn. Als mensen zeggen : “oud worden, ach, dat heeft toch ook zijn leuke kanten,” denk ik : dat lieg je. Wat nou, wat is er nu leuk aan verval en slechter functioneren? Die reclames over incontinentie maken je ook al niet vrolijker. Is het je wel eens opgevallen dat ze altijd over vrouwen gaan? Je ziet nooit eens een leuke man in driedelig pak die zegt :”ik ben zo incontinent als de klere, maar ik ga rustig door met zaken doen en heb nergens last van. Ik gebruik zo’n handig luiertje, kijk, dat vouw ik om mijn geslacht, niemand ziet er iets van.” Nooit zie je mannen, alleen maar wijven. Het maandverband is nog niet uit ons leven verdwenen of de incontinentieluiers slingeren al weer om onze oren. Gek wordt ik ervan.

Klöters beschreef ook hoe jij je in het theater opwerpt als een zwoele iedere leeftijd tartende mannenverslindster, maar thuis een 63-jarige actrice die Kees Fens leest en graag voor vrienden kookt. Kost het niet veel energie die uitersten te overbruggen?
“Ik geloof niet dat ik het ervaren heb als personages, die elkaar bevechten, misschien blijf je juist wel door die uitersten in balans. Je moet er toch niet aan denken dat je de glamour, de hakken en het mannen verslinden tot in de keuken zou moeten volhouden.”
Waarom wilde je eigenlijk afslanken? Vlak daarvoor verklaarde je nog fier :”eindelijk accepteer ik mijn lichaam. Mag het potdomme eindelijk eens. Dan maar tien kilo te zwaar, daar kan een mens ook gelukkig mee zijn.”
“Ik was doodongelukkig . Wat ik toen zei, was niet meer dan een geschreeuw over mijn eigen paniek heen. Dat was een volslagen leugen. En je mag tegen iedereen liegen behalve tegen jezelf. Het voelde niet goed, paste niet bij me. Al die kilo’s de trap op zeulen. Ik was niet tien, maar twintig kilo zwaarder dan nu. Ja, dat reisje naar Gent was niet voor niks. Toen ik die eerste elf kilo kwijt was en die hartproblemen kreeg, zei ik tegen mijn beste vriend: godverdomme, als ik naar de televisie kijk, hoe ik ook zap, ik krijg steeds een neushoorn of een nijlpaard op het scherm. Ik wordt voortdurend met die zwaarlijvige beesten geconfronteerd. Ik word daar angstig van. Straks zit ik en met hartklachten en met een dikke reet, want groeit alles weer terug. Dat wil ik niet. Toen zij die vriend, een Indonesische man : “je moet ter bezwering een klein image van deze dieren bij je dragen.” Ik heb toen maandenlang gezocht naar een kleine neushoorn en een nijlpaard. Ik heb ze nog altijd in mijn zak als ik de deur uit ga. Het is natuurlijk van een achterlijkheid kent geen tijd, maar ik doe het. Bijgeloof is mij met de paplepel ingegoten bij mijn grootmoeder op de Bloemgracht. In de Jordaan zat heel veel bijgeloof. Zieneressen als gebochelde Anne, schele Tine, die als oude heksen om de tafel zaten, de kaarten legden. Ik ben dat nog steeds niet kwijt. Soms heb ik er last van.

Ga je het uit de weg of ben je er ook nieuwsgierig naar ?
” Nee, je begrijpt het niet. Blijkbaar ken je het niet. Het is niet iets waarvoor je kiest. Als je op die manier bent opgegroeid en je breekt een spiegel, weet je : zeven jaar ongeluk. Dan heb je daar last van of je wil of niet en dan moet je heel goed oppassen dat het geen self-fulfilling prophecy wordt. “

Vertel eens wat meer over dat opgroeien in de Jordaan, die je ooit een jungle noemde?
“Arme mensen leven anders, je leert je wapenen. Je komt er vroeg achter hoe de menselijke natuur in elkaar zit. Als je zoals ik uit een eenvoudig en arm gezin komt, wordt je weinig aangereikt, dan moet je alles zelf zien binnen te halen. Ik heb opgroeien in een leuk gezin wel eens een handicap genoemd. Dat meen ik. Mensen uit een goed nest schrikken zich bij iedere nieuwe situatie in hun leven het lazerus. Ik vind een beschermde jeugd niet zo’n voorrecht. Het heeft ook grote nadelen. Ik beschouw mezelf nog steeds als een oud-commando. Een die geleerd heeft te denken en te vechten. Mijn moeder heeft een tragisch soort Dickensiaans verleden, een Oliver Twist verhaal zonder happy end. Een zeer beschadigd mens. Maar ik heb geen zin daarover uit te weiden. Het huwelijk van mijn ouders was zeer slecht. Ze hielden allebei van mij, maar het waren mensen die in een psychische gevangenis leefden. Ik heb mij altijd voorgenomen: dat zal mij nooit gebeuren. Het heeft mij voorgoed opgezadeld met een heftige vrijheidsdrang. Een fysieke behoefte bijna. Als een minnaar mij te lang en te hard vasthield, moest ik weg. Dan vocht ik mij los.”

Je beschreef je zelf ooit als een raar kind. Waarom raar?
“Ik had meer fantasie dan normaal. Ik las al heel vroeg. Lezen en alleen zijn, dat brengt iets teweeg. Ik had wel een zusje, maar dat werd pas acht jaar later geboren. Voor mijn gevoel ben ik heel lang alleen geweest. Als ik voor de klas moest komen, begon iedereen altijd te lachen. Naderhand heb ik daar mijn brood mee verdiend, heb ik daar gebruik van gemaakt, maar in eerste instantie betekende het een grote schrik. Je bent er niet op uit. Pas lang daarna ben ik het welbedoeld gaan bewerkstelligen en hanteren. Ik voel me nog steeds het meest op mijn plaats als ik mensen aan het lachen kan maken. Meer dan wanneer ik ze moet ontroeren. Dat kan ik wel hoor, wat dat heeft met manipulatie te maken, altijd.”

Echte ontroering bestaat niet ?
“Jawel, maar bij het publiek. Zelf moet je die dan al achter je kiezen hebben. Dat moet verwerkt, gestold zijn voordat je er mee op de planken kunt komen.”

Jij wordt zelf nooit door ontroering bekropen op het toneel ?
Vol afkeer : “Nee dat is onprofessioneel. Dan ben je een amateur, een absolute dilettant. Maar die ontroering moet er wel geweest zijn. Ik weet hoe ik ooit een mooie tango in mijn programma had, geschreven door Ton Gloudemans. Het ging over een vrouw die weggevlucht was uit Argentinië en dan terugkeert. Een prachtig dramatisch lied. Toen ik 77 voorstellingen gespeeld had, dacht ik ineens: wat sta ik hier eigenlijk te doen? Ofschoon iedereen het schitterend vond, heb ik het er toen rücksichlos uit geflikkerd. Ik dacht: als ik het vandaag in de gaten heb, horen zij het morgen.”

Je hebt jarenlang een interview voor Opzij geweigerd. Waarom eigenlijk?
“Opzij is ooit begonnen met zo’n spits van rancuneuze vrouwen vol mannenhaat. Ik ben dol op mannen. Het is mijn favoriete gezelschap. Ik heb altijd het gevoel gehad dat ik ze in bescherming moest nemen. Wat die feministen probeerden te bewerkstelligen, daarvan dacht ik altijd: zo ben ik geboren, dus ik hoef niet bij die club. Aan mij valt geen feministische eer te behalen. Ik ben altijd al mijn gang gegaan. Daarom zit ik er ook niet mee om mannen in de watten te leggen, voor ze te koen, ze te vertroetelen. Ik kan mij dat permitteren. Ik heb ze ook nooit als de vijand , me nooit slachtoffer gevoeld. Ik wens niet gemanipuleerd te worden in een situatie die ik niet wil, dat is voor mij al de definitie van een slachtoffer. Ik heb me dat maar één keer, heel kort, in mijn leven gevoeld, de laatste maanden van mijn zwangerschap. Ik zat klem, kon geen kant uit. Ik had tijdens die zwangerschap al aangekondigd dat ik weg zou gaan zodra ik een huis had gevonden en werk. Het is dit huis geworden. Ik ben met niet meer begonnen dan een bed voor mij en een bedje voor John. Zodra ik het huis had en een contract in mijn zak was dat gevoel weg.”

 

Je maakt je alleen maar mooi voor mannen?
“O ja, ik doe totaal andere dingen aan in een gezelschap met alleen maar vrouwen. Zoals nu, als ik weet dat jij kom, heb ik gewoon lekker dit aan, geitenwollen sokken, brilletje op. Pas de laatste jaren kan ik iets beter mezelf zijn met mannen erbij. Ik denk steeds vaker : ach, het zijn zo langzamerhand geen lustobjecten meer.”


In playboy zei je over seks : “Dat doe ik niet meer. Mijn normen ten aanzien van mijn lichaam zijn te hoog.” Toen ik dat las, dacht ik : Als heel Nederland er zo over dacht…
Vult vrolijk aan : “Dan werd er niet meer geneukt. Toch, het is enigszins waar. Als je zelf die normen niet verlegt, denk je toch onwillekeurig : wil ik mij nog wel aan vreemde mannen blootstellen? Je kunt toch niet meer in volle glorie staan in helder licht en zeggen : neem mij…..Dat moet wat voorzichtiger worden aangepakt. Met aangepast licht en liggend, eventueel met wat zwarte kousjes aan, zou dat misschien nog wel lukken, maar jezus, dat moet je ook met zo’n condoom gaan werken waar ik nu eenmaal niet mee ben grootgebracht. Een jong mens van nu weet niet beter, maar ik met mijn twee linkerhanden, wat moet ik daar mee? Als vrouw schijn je zoiets om te moeten doen, er schijnt zo’n handigheidje te zijn waarbij je dat roetsj afrolt, maar ik vrees dat dat bij mij clumsy zal gaan en dat wat leuk rechtop staat snel naar beneden hangt.”

Dat is toch ook een taak waar heren zich van kunnen kwijten?
Hoopvol :”Ja, doen zij dat? Doen ze dat zomaar? En zijn ze daar dan hartstikke handig in?”
Ontzeg jij je geen aardige momenten door die ‘norm’ zoals jij dat noemt zo hoog te houden?
“Ja, dat is zo. Ik mis het ook wel. Dan denk ik : god zal mij bewaren, moet ik dan toch nog leren met zo’n ding om te gaan? Het is niet meer zo ongecompliceerd als vroeger toen je gewoon iemand wegritste en zei : jij bent ‘m vanavond”

Ik herinner me inderdaad verhalen waarin je heel resoluut uitkoos in plaats van je te laten kiezen.
“Toen John klein was, moesten ze altijd om vier uur de deur uit zijn. Later, toen hij groot was en het huis uit, kregen ze een leuk ontbijtje. Nee, het werd niet harteloos afgehandeld hoor”

Je beschreef dat gedrag ooit als : pluk, pluk, ik ben er ook nog.
“Ja, ik heb nog nooit mannen in mijn leeftijdsgroep ontmoet die dat gedrag niet vertoonden. Ik denk dat jongere mannen daar anders mee omgaan. In mijn leeftijdsgroep is dat uitgesloten. Als je daar je aandacht van wegfocust, kom je in moeilijkheden. Daar kunnen ze niks aan doen, zo zijn ze nu eenmaal opgevoed door hun moeder. Ik neem het ze niet kwalijk, alleen ik kan het niet gebruiken. Ik wil me af en toe best eens diensbaar opstellen. Wijst met een brede armzwaai naar de meer dan vijftig fraaie pannen op de plank boven de keukentafel. Zoals je ziet : ik ben pannengeil. Ik vind het ook heerlijk om te koken. Lekker koken, lekker in bed, probeer bijna een soort Wonder Woman te zijn, maar op het moment dat ik ga werken is het afgelopen. Dan eis ik begrip. O nee, als ik ooit ophoud met werken, ga ik er niet alsnog aan beginnen. Dat kan ik niet meer. Ik voel me zo intens gelukkig alleen. Alleen wakker worden ‘s ochtends geeft me nog steeds een beetje het gevoel van jarig zijn. ‘s Ochtends aan de keukentafel met een lichtje onder de theepot, de katten om me heen. De gedachte dat iemand iets tegen me zou zeggen, een stuk van de krant zou willen, dat zou een hel betekenen. Toch weer even gauw een blik in de spiegel, even opfluffen, iets leuks aandoen. Het is een bevrijding geweest, geen vast heer in huis. Alleen af en toe een logeetje, in je vrije tijd iets leuks. Dat mag een meisje zich niet ontzeggen. Maar ja, dat is nu niet meer aan de orde. Ik heb lang last gehad van het vooroordeel dat je minimaal met z’n tweeën moet zijn. Als je jong bent, denk je: als iedereen het zegt, zal het wel zo zijn. Het wordt je ingestampt dat je ongelukkig zult zijn en eenzaam, maar het is niet waar. Er zijn gewoon mensen die absoluut niet geschikt zijn voor het samenwonen. Donald behoort daartoe, ik ook.”

Jouw grote vriendschappen zijn altijd met mannen geweest, nooit met vrouwen.
” Ja, ik voel me het meest op mijn gemak bij mannen. Die Australische duikers met wie ik net in Indonesië ben opgetrokken. Veel geschreeuw, bier drinken. Waar ik van houd, is het verschrikkelijke lachen dat je met mannen kunt doen. Lekker ordinair, luidruchtig. Bordeelbezoek. “

Bedoel je verhalen daarover of ga je met ze mee?
” Méé, natuurlijk. Het is niet wat vrouwen die er nog nooit geweest zijn ervan denken. Niet altijd rood fluweel met halfnaakte dames. De meeste bordelen die ik ken, hebben iets waanzinnigs huiselijks, hebben iets van een warm nest. Als de kroegen dichtgaan, kun je daar heel gezellig terecht. Soms gaan er heren naar boven, maar ik voel me altijd ontzettend knus zo tussen de boys. “

Had je zelf ooit tot het andere geslacht willen behoren?
” Nee, dat niet, daarvoor heb ik te veel plezier van de heren gehad. Ik heb wel als een man geleefd. Wat ik daaronder versta? Ik ben mijn gang gegaan. Ik heb absoluut geen rekening gehouden met een partner. Als ik vol zat met werk moest dat begrepen worden. Als dat niet begrepen werd, werd die persoon onmiddellijk verwijderd uit mijn bestaan. Wég. “

Het lijkt wel of je over stoute katjes praat.
Verontwaardigd: ” Nee, poezen doe ik nooit weg. “

Wat voor soort vrouwen vind je eigenlijk leuk?
” In ieder geval vrouwen met werk. Met een grote mate van zelfstandigheid. Geen gekreun en gezeur. Ik houd van vrouwen die tegen een stootje kunnen, een beetje wrede humor hebben. Weet je wie ik leuk vind? Hillary Clinton. Dat is een clevere dame. De rol die ze nu speelt, koekjesbakkend in het Witte Huis. Een rondleiding naar de kerstboom: o, this is so cute…O, ik zit dan te genieten. Dan denk ik: vrouw, wat ben jij heerlijk onbetrouwbaar. Kijk d’r spelen. Briljant. Dat is een brein. Die denkt: lik me reet, willen jullie me zo, dan krijgen jullie me zo. Waar ik ook grote bewondering voor heb, is Martha Gelhorn, de ontembare vrouw van Hemingway. Een prachtig leven. Zat als reporter bij de eerste golf landingstroepen in Normandië. Als enige tussen de jongens. Ze is nu tachtig, maar reist en schrijft nog steeds. Nee, die zit niet bij de kachel. Ik weet zeker dat zij een leuk levengehad heeft en nog heeft. Het is een dame die zich niet heeft laten onderschoffelen. Hemingway heeft de strijd met haar ook mooi verloren. Ach, laten we eerlijk zijn, het is toch een machtsstrijd. Iemand die het mooier wil zien dan dat moet er dan maar gekwetst door raken. Nee, ik word nooit gekwetst. Ik denk dat het dertig jaar geleden is dat ik voor het laatst gekwetst ben. Hoe je dat voor elkaar krijgt? Pantseren en schijt hebben aan alles. Ik stap niet in die machtsstrijd. Ik denk dat ik daar te lui voor ben, ik wil mijn energie anders gebruiken. Ik heb niet het gevoel dat ik, door mezelf daarvoor af te sluiten, me daarmee te kort heb gedaan. Ik heb het leuk met de heren gehad. Ken je het Golden Note Book van Doris Lessing? Dat gaat daarover. Vrouwen die zichzelf niets wijsmaken en op een wat afstandelijke manier toch proberen een leuk seksleven te hebben, maar dan toch door een gebrek aan zelfkennis de vernieling ingaan. ”

Zou je dat kunnen overkomen ?
Honend : “Nee, o, nee.”

Connie Palmen beschreef een paar maanden geleden in Opzij hoe ze altijd de voorkeur had gegeven aan mannengezelschap maar na de dood van Ischa voor het eerst de zorgzaamheid van vrouwen had leren ontdekken. Noemde Olga Zuiderhoek die vijf maanden lang iedere dag een fax stuurde.

Onmiddellijk : “Dat laatste verbaast me niks. olga is zo’n tofferik. Ik ken haar niet goed, maar dat heb ik altijd gevoeld. Maar wat die ontdekking van Connie betreft, ja, daar kan ik me wel iets bij voorstellen. Ik ben er ook van teruggekomen. Ik heb laatst een high tea gehad met alleen maar vrouwen. Dat heb ik altijd geweigerd, ik wilde het altijd op z’n minst gemengd. Maar dit waren zulke leukerds. Een psychiater, een televisieproducente, een pr-vrouw en een heel rijke die leuke dingen doet met haar geld. Een high tea in het Amstel, allemaal wijven, en dan langzaam lam worden en verschrikkelijk luidruchtig. Er is verschrikkelijk gelachen, alles kwam op tafel, geen onderwerp was te riskant. Dat was nieuw voor mij dat zoiets kan met vrouwen. Voor het eerst dat ik zoiets deed, meestal zeg ik : als er geen jongens bij zijn, kom ik niet….”
Een van je reisverhalen begint met de zin :” Heer H. en ik hebben de daad nog nooit bedreven. Het heeft ons in staat gesteld een hoge graat van intimiteit te bereiken.”
“Ja, bij heer H. was dat de manier, Heer H. had de neiging vrouwen om te vormen en te kneden naar zijn hand. Als hij dat met mij had gedaan, was hij me kwijt geweest en ik hem, dan hadden we nooit zo’n comfortabel samenzijn kunnen genieten. Ach dat heeft ook weer te maken met mannen van een zekere leeftijd. Heer H. is twee jaar ouder dan ik. Hij is zoals hij is. Hij maakt vrouwen met wie hij een relatie aangaat tot slaaf, dat kan ik niet. Ik heb het natuurlijk wel eens gespeeld bij mannen, maar alleen als het mij wat opleverde.
Ik herinner me een prachtig fragment uit een verhaal over San Fransisco. Je stapte kordaat een deftig Italiaans restaurant binnen en je voelde de vijandigheid om je heen. Bliksemsnel veranderde je van tred en schuifelde met een bedeesd pasje verder en vroeg fluisterend om een tafeltje.
Bulderen gelach : “Ach kind, ik ben me daar toch in de watten gelegd. JaJa, hoor, daar ben ik gewetenloos in, ik kan een heel opportunistisch meisje spelen. Ja, natuurlijk levert dat wat op. Nee, niet in je werk, wel in de wereld en de liefde.”

Er zijn toch ook mannen die op kordate dames vallen ?
“O, dan maar niet. Natuurlijk hebben de jongens af en toe regie nodig, maar in bed vinden ze het leuk als je het meisje bent. En als je door meisje te spelen het onderste uit de kan kunt krijgen, doe ik de jarretels schielijk aan. Dat hoeft geen tweemaal gezegd. Een meisje moet aan haar gerief komen. Nee er is geen constante te vinden in mijn keuze van mannen. In dronken toestand word ik ook wel kinky, dan grijp ik maar wat. De enige echt belangrijke man in mijn leven is Donald geweest omdat hij me zo’n leuk kind heeft gegeven. John is niet vaderloos opgegroeid. Toen we uit elkaar waren, zat Donald minimaal twee keer per week aan tafel. Zijn mooie, blonde vriendinnen waren ook welkom. Het belangrijkste wat ik geleerd heb in mijn moederschap is rekening houden met een ander. Dat zat niet in mijn natuur. Wat nou, iemand liefhebben zoals je zelve, dacht ik altijd, maar bij John kan ik dat wel. Laatst had ik Albert Mol aan de telefoon. Hij wou me even laten weten dat er een gemeenschappelijke vriend was gestorven, en informeerde toen naar John. Ja, zei hij toen, jij bent nooit een damesmoeder geweest. Wat treffend dacht ik, we zijn inderdaad meer twee jongens geweest die het samen moesten klaren. Ik denk dat John de enige persoon ter wereld is van wie ik onvoorwaardelijk houd. Verder houd ik nog wel van een handje vol mensen, maar dat is het dan. Je vroeg me daarstraks naar een beeld van mij zelf. Het eerst wat dan bij boven komt, is het beeld van een eenzelvige herder met een kleine kudde. Een grote neiging tot kluizenaarsdom. Die kudde is een metafoor voor de mijnen. Nee, ik geloof best dat anderen dat beeld niet in mij herkennen, daar heb ik zelf ook hard aan meegewerkt. Een eenzame, eenzelvige herder, dat kun je niet verkopen, daar kun je niet van eten. Maar ik heb vaak het gevoel : ik en de mijnen tegen de rest van de wereld.

De geluksmomenten in mijn vak zijn eigenlijk pas na mijn vijftigste gekomen. Vanaf het moment dat ik mijn soloprogramma’s uitbracht, niet meer in de shit van een ander stond,. Daarvoor was het niet meer dan mijn ambacht uitoefenen. Waar ik het meest van geniet, is het bedenken, het iets langzaam vorm laten krijgen. Daarna begint het fabriekswerk. Maar als je vraagt naar mijn grootste geluksmomenten, die liggen eigenlijk altijd ver weg. Op reis. Mijn bestaan hier is vaak niet genoeg en te klein. Amsterdam, waar ik toch veel van houd, werkt soms heel benauwend op mij. Ik ben het jongensboek nooit ontgroeid. In een kano de jungle in, met een prikstok en een rugzak de helling op, bloedzuigers trotserend, vijf of zes uur lopen. Ik denk vaak : wat een straf, toch geeft het satisfactie. Ik zou ook nog wel duiken willen leren, ach, ik wil zo veel. Als ik daarover ga nadenken, wordt ik bijna half gek van drift. Je moet toch minimaal de kans krijgen om twee totaal verschillende ambachten briljant te beheersen of er op zijn minst goed in te worden. En dat heeft toch tijd nodig om te rijpen? Tijd om het te leren, op je bek te glijden en weer opnieuw beginnen. Een leven is dan absoluut niet voldoende. Wat is dat nu voor armoe? Mijn belangrijkste ontdekking in dit leven is misschien wel de ontdekking dat ik niet voldoende ontdekt heb. Dat ik maar het tipje van de sluier heb kunnen oplichten en nu alweer bijna weg moet. Mijn woede over ouder worden heeft met meer dan met ijdelheid te maken, met gretigheid. De angst niet voldoende te hebben gezien, te hebben meegemaakt. Dat niet allemaal in een leven te kunnen proppen. Ken je dat gedicht van Dylan Thomas : Race Against the Dying of the Light ? Dat heeft hij geschreven bij de dood van zijn vader, Ik las het toen ik nog heel jong was, maar die zin is bij mij op het netvlies gesprongen en nooit meer verdwenen. Opstandig en woedend sterven, daar kan ik me alles bij voorstellen. Grommend doodgaan. Ik zal het tot op mijn sterfbed zonde vinden. He, verdomme, moet ik weg”

Interview in het tijdschrift Entertainment Hotspots uit 1996.
 © Entertainment Hotspots
© Foto’s : Nico Kroon

Na zes tergende jaren van afwezigheid staat Adèle Bloemendaal weer op de planken. De diva had tijd nodig, moest groeien en maakt thans haar glorieuze come-back. In een programma waarin ontroering venijn ontmoet, waarin zacht verende poezie de dagelijkse grofheid van het bestaan omarmd. Adèle zingt, schreeuwt en fluistert. In Adèle’s comeback no. 1 draait het als vanouds om gevoel. Entertainment Hotspots ontmoette de dame tijdens de voorbereidingen.

Het is fris in de fotostudio. Zaterdagochtend, in de verte walmt de koffie en Adèle Bloemendaal laat haar ogen glijden door de oude loods. Gekleed in decent zwart en een benen bril op haar neus, knikt ze goedkeurend. De omgeving bevalt haar. Door de speakers zingt Tom Waits. Adèle deint mee, vraagt of de muziek wat harder kan en wijst alle aanwezigen op de scherpzinnigheid van de zanger.

“Ik hou van vervreemding” lacht ze, terwijl de fotograaf haar aanwijzigingen geeft. “Voor mijn nieuwe programma heb ik veel mooi materiaal verzameld. Ja, echt mooi materiaal, teksten van onder anderen Hans Dorrestijn, Willem Wilmink, Jan Boerstoel, Frans Mulder. Deze mannen kunnen als geen ander mijn gedachten verwoorden. Ik ben een complexe persoonlijkheid, dus een makkeljke klus is dat niet. Aan de ene kant ben ik een moedertje: lief en zoet. Aan de andere kant ben ik zo scherp als een zojuist geslepen slagersmes, zit ik vol venijn. Ja, grofheid heb ik nimmer geschuwd. Ook deze keer niet. Het leven is grof dus waarom zou je er doekjes om winden? Dan blijf je zwachtelen

In Adèle’s Comeback nr.1 laat ik zien wie ik ben en waar ik sta. Het is een opsomming van gemoedstoestanden. Van poetische, bizarre, gevoelige en hilarische gedachten. Ik zing, ik proclameer, ik laat het achterste van mijn tong zien en spring als een jonge hond over het podium. Adèle lacht, zwaait met haar armen en laat haar tanden zien aan de fotograaf. De dame is een vakvrouw, een professional die precies weet wat er van haar verwacht wordt. De fotosessie zit erop. Adèle legt haar parels in een doosje en zegt dat ze wel zin heeft in een kopje thee. Luttele seconden later zit ze achter een plakje peperkoek met boter en wordt er aan thee gewerkt. Titels van programma’s borrelen in mij op wanneer ik op straat loop, in de rij voor de kassa van de Albert Heijn sta of gewoon ‘s avonds in bed stap. Ik hoef geen prestigieuze reclamebureau’s in de arm te nemen voor het vinden van een geschikte titel.

Titels overvallen me: Adèle in korte broek, Adèle op de Orinoco, Adèle’s comeback nr. 1. “Vraag me niet hoe ik erop kom, Maar mevrouw Bloemendaal, wat bedoelt u nou toch? Ha dat weet ik niet. Het is een ingeving niets meer, niets minder. Ik denk veel, raak met regelmaat op drift, voel me scabreus tot nostalgisch. Het is allemaal zo verdomde duidelijk, tenminste voor mij. Om al mijn ideeen te ordenen schakel ik de hulp van anderen in. Voor mijn nieuwe show heb ik regisseur Dick Hausser in de arm genomen. Hij weet heel goed op welk station ik sta, waar ik mij op dat moment bevind.”

Verder haal ik veel steun bij mijn viermansorkest dat onder leiding staat van Willem Ennes, die ook verantwoordelijk is voor de composities. Deze mannen helpen mij op weg. Het was natuurlijk zes jaar geleden dat ik mijn laatste soloprogramma speelde. En in die zes jaar ben ik vanzelfsprekend gegroeid. Ik ben in een andere levensfase beland, en heb dus weer lekker veel te melden. Nu anno 1997 verras ik weer, laat ik dingen zien van mezelf die ik nooit eerder met mijn publiek deelde. Ja dat is ouder worden. In januari midden in mijn tournee, wordt ik 65 jaar. Ha, de pensioengerichtigde leeftijd! Het is een grens die je overschrijdt. Zeg nou zelf, 65 heeft toch die klank van doorgekookte spruitjes en stoofvlees, de AOW, roze strippenkaarten en een 65-plus kortingskaart? Lekker goedkoop met de trein naar Milaan. Wat een voordeeltjes. Ik voel me goed. Ik heb vrij veel energie en heb nog zoveel plannen. Deze vorm van jeugdigheid is niet iets dat ik verworven heb. En ik heb het ook zeker niet omdat ik zo voorzichtig en behoedzaam geleefd heb. Ha, men weet wel beter!

Adèle lacht haar volle lach en tettert dat ze geluk, puur geluk heeft gehad. Jeugd zit in je. Draag je het niet met je mee, heb je pech. Zo simpel ligt dat. Het is een attitude. Ik moet weer elke avond de boer op, het land in. Veel vrouwen van mijn leeftijd moeten daar niet aan denken, maar ik stap toch steeds weer in die auto op weg naar Winschoten, naar Heerlen. Gewoon omdat ik nog steeds mijn ding wil doen. Ik heb nog steeds die drive, die zucht naar publiek. Het is waar ik voor kies. De een wil lekker met zijn gat voor de buis en nergens aan denken, de ander wil nog steeds het podium op. Kijk het lijkt me natuurlijk heerlijk om iedere avond in een en hetzelfde theater te staan. Gewoon met mijn fiets naar Carré. Ja, dat vind ik een heerlijk theater om in te spelen het is groot en intiem tegelijk. Alleen het podium is me te smal. Ik ben een beweeglijk mens, ik pak de ruimte die er voorhanden is. En het liefst nog meer. Maar avond aan avond in Carré is mijn werkelijkheid niet. Alleen hele grote producties als Joe – de musical en Miss Saigon hebben een vast huis.

Adèle drukt haar gestifte lippen tegen de beker thee. Deze dame is nog lang niet klaar met leven. Het lijkt me fantastisch om weer eens met anderen te spelen. Dat inspireert me zo. Het trekt je hele hebben en houden uit je donder. Met wie? ik weet het niet. Ik weet wel wie ik bewonder. Dat zijn Loes Luca en Arjan Ederveen. Met hen loop ik weg. Zij zijn origineel, kiezen de minst makkelijke weg. Die onverharde paden waarop zij lopen, zijn zoveel interessanter. En zoveel vermakelijker. Ja, lachen hoort heel erg bij mij. Een dag niet gelachen is een dag niet geleefd. Aan het eind van de dag ga ik altijd even na of ik wel genoeg gelachen heb, of ik wel voldoende plezier gehad heb. Ik zie dat als mijn recht, maar ook als mijn plicht. Er is al genoeg gelazer in de wereld. Adèle kijkt om zich heen, krabt zich aan het voorhoofd en meldt dat ze ondanks enkele depressies eigenlijk altijd veel plezier, veel ontegensprekelijke leut, heeft gehad. Ik heb eigenlijk altijd met hele bijzondere mensen gewerkt. Ik geniet een goede gezondheid en durf nog steeds creatief te denken. Het gevoel van eeuwige beweging is iets waar ik op teer. Benieuwd naar deze diversiteit van deze bejaarde? Dan moet je komen kijken!

Interview in het Rotterdamsdagblad op 30 december 1999 door Marion Groenewoud

©Rotterdamsdagblad

Ze is geboren aan de Jordaanse Bloemgrachte als Adèle Maria Hameetman (Bloemendaal is de naam van haar eerste ex). Met de eeuwwisseling gaat ze niets speciaals doen. “Het millenium is een hype die ons tot last is geworden. Ik heb champagne en lekkere schalen vol eten. Bovendien moet ik over een paar dagen beginnen met de try-outs van mijn nieuwe programma “Portret”. Misschien had ik anders wel iets geregeld : op een rots in Colorado met Ry Cooder op mijn walkman. Dat lijkt me wel wat.”

Slank en kleiner dan verwacht, met pseudo-nonchalant blond kapsel en een trendy bril. In een zwarte broek en trui. je zou niet zeggen dat ze 67 is. Ze heeft de naam soms lastig te zijn. “Ik een moeilijk mens? Dat moet je aan m’n jongens (van de band) vragen. Dat weet je niet van jezelf. Ik zeg gewoon wat ik vind. Als dat moeilijk is…..Als mensen onverwacht bij me langskomen dan roep ik inderdaad ‘Ga weg, ik ben bezig’. Je moet me niet storen als ik aan het werk ben. Ik zie mij al bij een kennis op kantoor binnenstormen. Luid roepend : ‘Hallo hier ben ik!’ Dat doe je niet. Vrienden mogen ook niet onverwacht komen. Dat weten ze. Tenzij ze mij een leven lang willen onderhouden. Maar dat heeft nog niemand aangeboden.”

“Ik een diva?” Ze kijkt onderzoekend. “Als ik door de supermarkt loopt zeker? Nee, ik voel me geen diva. Uiterlijk is belangrijk in dit werk (‘Zeg nooit in het vak’) Op televisie of op toneel hoort het erbij. Tenzij je de gebochelde van de Notre Dame bent. Als je een bochel hebt of een dikke buik, dan breng je dat naar voren. Als je er aardig uitziet, gebruik je dat. Nee, niet uitbuiten. Dat zei ik niet.”

“Uitbuiten is negatief. Misschien had ik toch een bochel moeten nemen,” peinst ze. “Ik ga in ieder geval niet met een kaki-broek de buhne op. Ach, het is moeilijk uit te leggen aan iemand die geen verstand van theater heeft. mensen doen altijd alsof het uiterlijk iets afdoet aan de inhoud. Dat doet het niet.”

Haar nieuwe soloprogramma ‘Portret’ bevat haar favoriete liedjes uit een 42-jarige carriere. De meeste zijn ook te vinden op haar, terrecht erg positief ontvangen, dubbel-cd. Met teksten van onder meer Jan Boerstoel, Hans Dorrestijn, Willem Wilmink, Jacques Klöters. “Dit programma, of eigenlijk meer show, is geen statement of slotstuk. We waren hier aan toe. Sommige liedjes hebben we aangepast, die waren te gedateerd. Ik wil geen liedjes analyseren. Net als het soort recensenten dat een voorstelling dood redeneert. Het zijn liedjes die op mijn lijf geschreven zijn. Ik had de tekst als ware zelf gezegd kunnen hebben.”

“Daar selecteer ik op. Boerstoel en Klöters kunnen goed ‘op maat schrijven’. Bij Dorrestijn moet je in zijn mappen speuren op zoek naar iets leuks. Een lied van Jacques Klöters ‘Grijze panters’ vind ik erg mooi. Het gaat over ouder worden. Ouderen die achter de geraniums weggestopt worden maar het er niet bij laten zitten : ‘De toekomst is aan de grijze panters/ de oude glorie is het nieuwe doel’ Ik ben ook een grijze panter ja. Mijn haren zijn geblondeerd.

“Ik ben iemand die gemakkelijk dingen weggooit. Je hebt twee categorieen mensen. Zij die terugkijken en zij die vooruitkijken. Ik behoor duidelijk tot de laatste categorie. Wat geweest is geweest. Ik werp het zo naast me neer.” Ze maakt een fel wegwerpgebaar. “Daar heb ik later geen last meer van. Geen buikpijn of sores. Niets. Als ik een ding mag zeggen tegen een jong iemand. Je moet je nooit iets aantrekken van wat anderen zeggen. Niet mee bezighouden. Zelf heb ik dat al vrij snel afgeleerd ja”

“Een biografie over mij. Ik ben nog niet dood! Nee, er is geen verzoek geweest. Ik moet er ook niet aan denken, iemand die allerlei associaties over mij heeft en uitspraken aan mij koppelt.” Ze trekt een vies gezicht. “De kranten zullen wel een necrologie hebben klaarliggen. Nee, ik zou ook geen autobiografie willen schrijven. Geen behoefte aan. De dood? Tuurlijk denk ik wel eens aan de dood, maar ik sta er niet mee op of ga er mee naar bed. Ik zing erover in mijn programma. Dat wel.”

Interview in de GPD bladen

Gepubliceerd op 18 januari 2003

© GPD Bladen / Berrit de Lange

Zaterdag 18 januari 2003 – Adèle Bloemendaal is terug op televisie. Samen met Ellen Vogel is ze te zien in de VPRO-komedie Oude koeien. Tweeënhalf jaar na haar hersenbloeding ontdekte ze tot haar vreugde dat ze weer lappen tekst kon onthouden. “Werken is prettig, maar ook financieel nog altijd noodzakelijk. In welke verhouding? Zo’n beetje fifty-fifty.”

Oude koeien was een risico voor Adèle Bloemendaal (70). De hersenbloeding die haar in maart 2000 trof, tastte zowel haar geheugen als haar spraakvermogen aan. Maar na tweeënhalf jaar herstel zijn de lappen tekst die zij voor de serie moest instuderen geen probleem meer. Niet om te onthouden en niet om duidelijk over de lippen te krijgen.

Vol energie en bruisend als in haar beste jaren geeft Bloemendaal in Oude koeien, zes komische episodes van tien minuten, gestalte aan de rol van Ida, de tegenpool van Welmet Gieling-Van Woerden (Ellen Vogel). Welmet verzorgt dagelijks vol toewijding het graf van haar overleden echtgenoot, de geprezen kunstenaar Sandor Gieling, als plotseling zijn luidruchtige, geblondeerde en flamboyante ex-vlam Ida ten tonele verschijnt.
“Adèle speelt eigenlijk zichzelf”, zei Ellen Vogel over haar tegenspeelster tijdens de presentatie van Oude koeien. De zwarte komedie die zich afspeelt op een kerkhof werd daar ook al gekscherend omschreven als een ‘bejaardensoap’.

Bloemendaal: “Op mijn leeftijd moet je natuurlijk niet verwachten dat je nog gevraagd wordt een twintiger te spelen. Je komt in aanmerking voor niets anders dan oma-rollen. Hoewel ik in Oude koeien geen typische oma-rol speel. Meer die van een oude vrouw die als een snijbrander overal doorheen gaat.”

In het geval van Bloemendaal gaat het gezegde ‘hoe ouder hoe milder’ ook privé niet op. “Mensen die een hersenbloeding hebben gehad, ondergaan vaak een karakterverandering. Ik merk zelf dat ik alles zeg dat voor op m’n tong ligt. Nog meer dan vroeger, inderdaad. En daar schrikken mensen wel eens van.”

Oma-rollen
Adèle houdt duidelijk niet van interviews. “Het was heerlijk om weer te spelen. Maar ook financieel noodzakelijk. Hoe noodzakelijk? Oh, u wilt m’n bankrekening weten!. Armoe in huize Bloemendaal? Nee, jammer hè.”
Na een lange stilte: “Ik moet ineens denken aan het meisje van Nulde. De media hebben daar maandenlang van gesmuld. Nu, met die rechtszaak tegen die ouders, wordt alles wéér opgerakeld. Armoe, kanker, beroertes; het kan niet erg genoeg. De honger naar kopij is niet te stillen.”
Het is wel fijn om te merken dat er weer professionele interesse is. “Dat mensen in de gaten hebben dat ik niet kwijlend in een hoek lig. Misschien zijn ze nog wel een beetje bang dat ik na de eerste de beste scène schuimbekkend naar de grond ga. Integendeel. Ik denk dat ik fysiek zelfs wel weer theater aan zou kunnen. Een show van een uur of twee gaat best. Maar het theater valt af. Alleen al bij de gedachte aan door het land reizen en files moet ik terstond braken. Bijna niemand speelt nog avond aan avond in het land. Die files overheersen alles.”
De tweeënhalf jaar herstel waren achteraf gezien ‘heerlijk’. “Een beroerte is een aanslag op je energie. Dat moet weer langzaam terugkomen, maar ziek ben je niet. Ik kon doen en laten wat ik wilde. Vooral lezen, lezen en nog eens lezen. En ik ben vorig jaar verhuisd, na 38 jaar in hetzelfde huis was dat wel even ingrijpend. Verder heb ik het werk natuurlijk erg gemist, schrijf dat er maar wel bij. Anders zouden ze nog denken dat ik liever niets doe.”

Hele nachten dansen is er niet meer bij. “En ik kom niet meer in het café. M’n uren hebben zich verlegd. Ik leef anders dan vroeger maar niet minder gelukkig. De eerste sneeuw op mijn nieuwe adres… Prachtig. Een cadeautje. En als ik het straatje uitloop sta ik midden in Sodom en Gomorra. De Nieuwmarkt, je weet niet wat je ziet als je daar op een terrasje gaat zitten. Genieten van het stadsleven doe ik nog net als vroeger.”

IJdel
IJdel is ze nog evenzeer, hoewel schoonheidsoperaties onmogelijk zijn geworden wegens de bloedverdunners.
De verzorgde handen fatsoeneren niettemin regelmatig de nog even platinablonde, modieus in nonchalante plukken gekapte haren. “IJdel? Ja. Ik zorg er wel voor dat ik niet als de gek van het rotsgebergte rondloop.”
Dat is eigenlijk alles. “Het gaat om Oude koeien, niet om armoe en ellende. Of is uw krant ook al van de diepe dalen en de grote hoogten om hun lezers en lezeresjes smakelijk voor te schotelen? Nou, ik ben bang dat ik aan ellende op het ogenblik weinig te bieden heb.

VARA-gids januari 2003
Tekst : © Annemarie Oster
Fotografie : © Philip Mechanicus

VPRO-gids januari 2003
Tekst : © Angela van der Elst
Foto’s : © Leendert Jansen

VPRO backstag januari 2003
© Pam van der Veen

AVRO-bode januari 2003
Tekst : © Victor Engbers
Foto’s : © Nico Kroon

Interview in dagblad “Het Parool”
18 november 2006
© Parool
© Frans Bosman

‘Ik laat me niet meer opjagen’

Cabaretière, chansonnière en actrice Adèle Bloemendaal (73) kreeg vorige maand de Blijvend Applaus Prijs. Tegelijkertijd verscheen een dubbel-dvd met een bloemlezing uit haar werk, Van de gekken. Maandag en dinsdag staat ze nog één keer in Carré als eregast van cabaretgroep Purper. Het leven van een diva in ruste.

Wat houdt u op dit moment bezig?

“Ik heb me net laten uitleggen wat een Ipod is. Zo’n ding blijkt vreselijk duur te zijn en je moet alles downloaden. Ik ken dat woord wel maar ik weet niet wat het is. Het is vast veel gedoe. Maar laten we het over mijn dvd hebben.”

Van de gekken.

“Precies. Die moet natuurlijk wel verkocht worden. Zo’n dvd is trouwens ook leuk voor de kleinkinderen. Ze waren aanwezig bij de presentatie en de uitreiking van de Blijvend Applaus Prijs. Amber is negen en de tweeling, Jesse en Tim, is acht. Ik hou verschrikkelijk veel van ze. Ze snapten er weinig van, maar ik geloof dat ze het toch wel een leuke gelegenheid vonden.”

Hoe voelde het om die prijs te krijgen?

“Het is een bevestiging. Dan hoef je niet meer te twijfelen. Want ik heb aan het begin van mijn carrière natuurlijk ook een heleboel rotzooi moeten doen. Om de huur te betalen en te eten nam ik alles aan. Televisieregisseur Rob Touber gaf me gelukkig de gelegenheid om ook mooie dingen te maken. Jammer genoeg is dat bijna allemaal gewist. Gelukkig hebben ze toch nog wel wát gevonden waarop ik trots kan zijn.”

U blijft in het nieuws, al is het maar door de imitatie van Paul de Groot in Koefnoen.

“Ik heb het nog niet gezien want ik lig er altijd vroeg in. Ik ben patiënt, haha. Lekker om negen uur naar bed en ‘s ochtends om zes uur weer op. Dat is mijn natuurlijke ritme.”

En ik maar denken dat u een wilde meid was, een nachtbraker die de bloemetjes buiten zette.

“Na een voorstelling kun je natuurlijk niet meteen slapen. Dan dook ik de kroeg nog wel eens in. Maar ik ben nu een ander mens geworden en dat bevalt me zeer. Alleen de beperkingen die mijn fysiek me oplegt zijn vervelend. Na een drukke dag moet ik een dag rusten. En alles gaat langzamer. Ik laat me ook niet meer opjagen. Als je mijn oude agenda’s inkijkt, ga je huilen. Maar ik wist niet beter. Totdat ik met een attack werd gestraft.”

Heeft dat met het harde werken en de stress te maken?

“Het kan iedereen gebeuren. Mij overkwam het op 29 september 1999 in de trein in Duitsland. Opeens leek het alsof we heel steil naar beneden gingen en ik me schrap moest zetten tegen de bank. Maar toen ik naar buiten keek, reden we gewoon horizontaal. Bij het eerstvolgende station, in Koblenz, hebben ze me per ambulance naar het Franz Jozef Krankenhaus gebracht. Daar werd een beroerte geconstateerd.”

Daar lag u dan.

“Ik heb aan zo’n jonge arts, die daar werkte, om boeken gevraagd. Ik zei: anders ga ik dood. Hij heeft uit zijn eigen boekenkast enkele Duitse krimi’s meegenomen. Later, toen ik mocht lopen, ontdekte ik op zolder de bibliotheek van het hospitaal. Daar zat een oude non, omgeven door de mooiste boeken – Goethe, Schiller – en alles mocht ik lenen.”

Zo kwam u de dagen door.

“Ja, maar op een gegeven moment moest ik wel naar huis. John Kraaykamp wilde de laatste drie afleveringen van Het zonnetje in huis met mij doen en zat op me te wachten. Ik heb thuis nog een dag rust gehouden. Daarna begon het gekkenhuis weer. In het begin had ik nog wat moeite met de spraak maar na wat oefeningen ging het weer.”

U kreeg een tweede beroerte.

“Geen wonder, want ik ben na die opnames meteen begonnen met de repetities voor mijn eigen show. Ik was nog niet helemaal uitgeziekt na een zware griep maar the show must go on. Toen is het opnieuw gebeurd.”

In Almere werd u weggefloten.

“De ellende begon die veertiende maart tijdens opnames van Sesamstraat. Ik zou een scène doen met Aart Staartjes. Toen ik begon te praten, hoorde ik mezelf wabeldebabbeldekwabbel zeggen. Ik dacht: verrek, dat is raar! Haha! Ze hebben me naar huis gestuurd, maar de volgende dag ben ik toch maar gewoon naar Almere gegaan. Ik stond nog maar net op het toneel toen het weer begon. Ik hoorde het zelf als eerste. Maar na al die jaren denk je bij het maken van een foutje: ze zullen het wel niet merken, haha. Mis! Want het publiek riep: ‘Dronken del, ga naar huis!’ Haha.”

Pijnlijk!

“We hebben de boel nog netjes ingepakt. Toen heeft Willem, mijn pianist, me naar het VU gebracht, waar ze opnieuw een beroerte constateerden. Daarna was ik zo moe dat ik niets meer kon. En niemand weet wat je wel en niet moet doen. In mijn geval, als er een bloedstolseltje naar je hersenen schiet, kunnen ze hooguit zeggen: ga niet naar de Himalaya. Hahaha.”

En drink niet meer.

“Als je twee uur op het toneel moet staan, laat je het wel uit je hoofd ook maar één druppel te drinken. Ik heb nu drie medicijnen, want ik heb ook wat aan mijn hartklep. Het is niet verstandig dat te mengen met alcohol.”

En dat overkwam Adèle, met haar looks en afgetrainde lijf.

“Ja, ik heb drie facelifts gehad.”

In 1987 poseerde u zelfs voor Playboy. U nam nooit genoegen met ouder worden.

“Ik vond het geen gezicht om van die nare plooien te hebben, terwijl je daar staat om mensen aan het lachen te maken.”

Dolly Parton zegt: ‘ik hou er een bedrijf mee overeind.’

“Hahaha, wat is die vrouw toch geestig. Maar zo is het wel. Het moet er smakelijk bij staan.”

U deed het niet voor de mannen?

“Natuurlijk. Ook. Want zo’n chagrijnige oude kop met van die harde lijnen is niet fris. Nu, op mijn 73-ste, heb ik er recht op te zeggen: dit is het. Take it or leave it. Het ziet er nog netjes uit en ik ben blij met mijn maat 44.”

U hebt er een conference van gemaakt in een van u shows.

“Eerst vertelde ik hoe zo’n facelift gaat en wat het kost. Daarna deed ik dan zo’n bekakte vrouw na die er vreselijk uitziet en tegen haar man zegt. ‘Ik wil harmonieus oud worden. Achter deze hangtieten en deze zadelreet zit een geschiedenis.’ Haha.”

Daarmee had u al die vrouwen bij de neus die in de pauze zeiden: kijk Adèle met haar strakke kop.

“Ja, want die zeiden kakkineus: ‘Vrouwtje Bloemendaal met haar opgetrokken kop gaat ‘s avonds wel alleen naar bed, heur. Terwijl ík nog steeds gelukkig getrouwd ben.”

U hebt jarenlang gefulmineerd tegen het ouder worden.

“Ik kan het niet uitstaan dat je plots, terwijl in de wereld nog allerlei spannends gaande is, wordt weggerukt. Daar fulmineer ik tegen! Niet tegen het feit dat je kont misschien niet meer helemaal kan.”

De dood is ongepast.

“Precies, en de ouderdom voert je erheen.”

Oscar Wilde vond de jeugd verspild aan jongeren.

“Net als je doorkrijgt hoe het leven in elkaar steekt, moet je weg. Maar neem nog wat koffie.”

Waar kijkt u met het meeste plezier op terug. Uw theatercarrière?

“Nee, de twee wereldreizen die ik heb gemaakt voor De Tijd en voor Avenue. Voor elk heb ik drie verhalen geschreven. Dat waren mijn gelukkigste en meest zorgeloze jaren. John, mijn zoon, was op zijn negentiende bij de Airforce in Amerika gegaan. Dat gaf mij de vrijheid. Ook op toneel had ik dat gelukzalige gevoel. Ik kon gillend van het lachen op mijn rug gaan liggen en met mijn benen in de lucht trappelen. Uit pure vreugde! Hahahaha.”

U had na alle routineklussen de knop omgezet?

“Ja. Ik heb weloverwogen mijn eerste eigen show zelf in elkaar gezet. Adèle’s keus. Ik speelde eerst voor een klein publiek in vestzaktheaters. Toen een impresario het zag, vroeg hij me voor het De La Mar. Toen daar de rijen tot om de hoek stonden, dacht ik, kennelijk heb ik toch iets leuks in handen en vind ik dat niet alleen zelf.”

Was er een moment dat u besloot uw leven in eigen hand te nemen?

“Toen ik weer eens een heel slecht script in de bus kreeg, dacht ik: nee, genoeg! Ik heb de telefoon gepakt en gezegd dat ik er niet meer aan meedeed. Geen zin! Het is afgelopen! Ik dacht: vanaf nu ga ik doen wat ik zelf mooi vind.”

Hoe doe je dat?

“Ik ben naar het Toneelmuseum gegaan, waar Jacques Klöters op zolder de scepter zwaaide over de cabaretafdeling. Daar ben ik gaan zoeken en lezen. Jacques gaf me ook tips. Zo was er een dichtbundel uitgekomen van Jan Boerstoel. Die heb ik op muziek laten zetten. De tussenliggende teksten heb ik de eerste keer zelf geschreven en de tweede keer samen met Frans Mulder. Die voorbereidingen waren altijd heel prettig.”

Want daarna was het veel van hetzelfde?

“Dan moet je het honderd keer doen. Dat is je ambacht. Eigenlijk ben ik te oud begonnen met solo. Zoals ik het deed, was het echt topsport. Op den duur werd ik er zo moe van. Reizen, trainen, de kapper. Ik was toen al over de zestig. Paul van Vliet, Martine Bijl en alle anderen zijn vrij jong met solo begonnen.Op de leeftijd dat zij ermee stopten, begon ik.”

En dan elke avond naar weer een ander cultureel centrum in de provincie.

“Dat reizen is zo vreselijk! En bijna altijd kwam je voor een gesloten deur.”

Hoezo?

“We waren er meestal om een uur of vijf, vanwege onze lange soundcheck. Dan liep je om zo’n gebouw heen. Kloppen op alle deuren. Uiteindelijk ging je dan maar in de auto zitten wachten.”

Wat klinkt dat armoedig!

“Dat is ook armoedig! Daar zit geen greintje glamour bij. Ik heb het een keer gehad in Maastricht. Ik was eerst met de jongens wat bij zo’n slordige Chinees gaan eten, want beter was er niet. Daarna zijn we door de sneeuw naar het theater gegaan. Ze wisten dat we er waren, maar ze lieten ons gewoon buiten staan. In woede heb ik toen de toneeldeur proberen in te trappen. Binnen een paar minuten kwam er iemand: ‘Hé, hé, dat gaat zo maar niet.’ Ik siste: denk erom dat jij nu niks meer zegt, anders trap ik jou helemaal dóóóóód!”

Wat een treiterkop.

“Ik ben blij dat ik van dat verschrikkelijke deel van het bestaan af ben. Mijn leven is nu heel eenvoudig en daar ben ik niet ontevreden mee. Kijk, nu komt de zon door. Dan zit ik hier met de krantjes en de koffiekan aan tafel en dan ben ik gewoon gelukkig.”

Wat huiselijk.

“O, maar ik had ook een rusteloze kant hoor. Ik wilde altijd weg! Ik heb jaren met mijn paspoort in de achterzak van mijn

jeans gelopen.”

Is Amsterdam te klein voor u?

“Ik vind Amsterdam niet zo leuk meer als het was. Als ik geld had, zou ik naar San Francisco verhuizen. Amsterdam is harder geworden. Het is er te vol. Gelukkig is de Nieuwmarkt nog steeds een leuk dorp.”

U woont alleen, maar u bent wel twee keer getrouwd geweest.

“Toen ik klein was, werd je opgevoed met het idee dat je zielig bent als je niet getrouwd bent. Ik dacht: die mensen weten dat natuurlijk. Dus ik heb het twee keer gedaan. Later kom je erachter dat het niet voor iedereen is weggelegd.”

Meneer Bloemendaal.

“Mijn eerste man. In de jaren vijftig was Nederland heel benauwend. Met hem ben ik naar Amerika getrokken. Hij zat in het vliegwezen en werkte bij Lockheed, vlak bij Hollywood. Ik wist niet precies hoe dat moest, getrouwd zijn. Ik was twintig en maagd. Hij kocht op krediet zijn eerste sportauto, ging eraan sleutelen en begon ermee te racen. Dat was zijn hartstocht. Op het laatst had hij er drie. Hij betaalde de huur en gaf mij 25 dollar huishoudgeld. Op een gegeven ogenblik had ik geen kleertjes meer. Toen ben ik op een cursus kleding ontwerpen gegaan. Gaandeweg kreeg ik ook hier en daar wat vriendjes, want mijn man zag ik bijna nooit. Hij werkte, racete of sleutelde.”

Dus toch maar terug?

“Ik vond mode erg leuk, maar ik wilde het in Holland toch in een andere business proberen. De showbusiness. En dat is heel erg leuk gelukt. Ik dacht: ik zal maar eens op dansles gaan. Dat was bij Jackie Bow. Op een gegeven moment werd hij gebeld door de televisie. Ze maakten opnames in verbouwde kerkjes en vreemde gebouwen. Studio’s had je nog niet en alles werd live opgenomen. Ze hadden danseresjes nodig. Zo moesten we dansjes doen in shows met Rita Reys, Ramses Shaffy en mensen van wie ik de naam niet meer weet. Later mocht ik ook een paar zinnetjes zeggen. Dat ging zo leuk dat ik de keer daarop een scènetje met Ramses kreeg. Zo ben ik erin gerold.”

Stijf van de zenuwen?

“Nee, dat is pas later gekomen. Een paar jaar heb ik podiumvrees gehad. Na mijn derde show was het zo erg dat ik dacht: hier ga ik dood aan. Kotsen in de coulissen. Toen ben ik een paar jaar gestopt.”

U had de naam dat u theaterdirecteuren met afzeggingen tot wanhoop bracht.

“Ik kon het niet meer opbrengen. Op een gegeven moment kreeg ik een schnabbel aangeboden. Er moest weer geld komen, dus die heb ik aangenomen. Die podiumvrees was ik toen kwijt. Er was nog wel stress, maar niet dat hele erge.”

Betaalde televisie een beetje?

“In het begin niet. Voor een dialoogje, liedje, solootje en slot kreeg je bruto 250 gulden. Dat werd uitgerekend aan de hand van tabellen. Na afloop ging je naar de administrateur en kreeg je een bruin loonzakje mee. Met de commerciële televisie werd het beter. Henny Huisman heeft nu een renstal. Steeds meer artiesten gingen met een agent werken. Ik heb er nu ook een. Eindelijk! Bij het scheiden van de markt. Haha!”

Heeft u er een onbezorgde oude dag aan kunnen overhouden?

“Nee. Niemand van ons dacht aan zijn pensioen. Je ging de stad in om te beesten. Je maakte op wat er binnenkwam. Rang! Prachtig gekleed, mooie schoenen. Rats! Ik ben door die beroertes natuurlijk midden in mijn carrière gestopt, want ik ging ervan uit dat ik tot mijn 92-ste zou doorgaan.”

Bent u boos geweest dat nou net u dat moest overkomen?

“Eerst wel. Maar dat had niet zozeer met mijn vak te maken. Ik vond het vooral erg dat het me beperkte in allerlei dingen. Als je zoveel attacks hebt gehad en ook nog een hersenoperatie…”

Hersenoperatie?

“Voel je die twee gaatjes in mijn schedel? Er is een bloeding geweest tussen mijn schedel en de hersenen. Ik had eerst alleen hoofdpijn. Totdat mijn hulp me in februari 2004 in coma aantrof. In het Slotervaartziekenhuis heeft de neuroloog resoluut zijn boren gepakt en het zaakje schoongemaakt. Het leek wel motorolie, zei hij.”

“Daarna was al mijn energie op. Die is wel weer een beetje terug, maar niet meer zoals vroeger.”

Schrikt u niet van die dingen?

“Ach nee. Het gebeurde in mijn slaap en ik had een paar dagen heel leuke hallucinaties. In plaats van de ingang van de ziekenzaal zag ik een veelkleurige boog van neonlicht met daarboven Hotel Atlanta. De bedden waren in roze en lichtblauwe Cadillacs gebouwd. Ik dacht: wat een enig hotel!”

De serie waarmee u zo’n succes had, wordt nu opnieuw opgenomen. Wat vindt u van het nieuwe Schaep met de vijf pooten?

“Ik heb er een piepklein rolletje in. Loes Luca is als Doortje geweldig. Maar je mag haar niet met mijn Door vergelijken, hoor! Dat is niet fair.”

Kijkt u ernaar uit om maandag en dinsdag met Purper in Carré te staan?

“Ik heb het beloofd. Ik wil een kleedkamer met een bed. Ik neem een boek mee en wil dan verder niet worden lastiggevallen. Het gaat ook maar om één liedje.”

Laatste vraag…

“Wanneer ga je dood? Hahahaha!”

…hoe zou u willen terugkomen?

“Als zeehond. Bij Carmel en Monterey in de buurt. In Californië word je niet doodgeknuppeld.”

‘Nu heb ik er recht op te zeggen: dit is het. Take it of leave it. Het ziet er nog netjes uit en ik ben blij met mijn maat 44.’