Hommage aan Jan Boerstoel

Zondag 28 maart 1999  20:15
Nieuwe de la Mar Amsterdam

© Patrick van den Hanenberg in de Volkskrant : 27 maart 1999 :

Zijn teksten vormen een geheel eigen genre en in cabaretkringen vindt men graag een plek voor ‘een Boerstoeltje.’ Zondag wordt JAN BOERSTOEL geëerd….

VANAF Opa’s Verjaardag, zijn eerste grote succes uit 1969 voor Don Quishocking, heeft Jan Boerstoel (53) in traag tempo aan een degelijk repertoire gewerkt. Hij is de betrokken buitenstaander die in fraai rijmende, metrische zinnen het menselijk tekort beschrijft. Een aantal van zijn topstukken zal zondagavond in het Amsterdamse Nieuwe de la Mar Theater te horen zijn tijdens een hommage aan de tekstdichter.

‘Ontroerd’ vindt hij een te deftig woord, maar hij verheugt zich bijzonder op zijn ‘feestje’. De avond betekent het weerzien met zijn favoriete componist Martin van Dijk en tekstafnemers als Jenny Arean, Adèle Bloemendaal , Gerard Cox en Karin Bloemen. Ja, ook Karin Bloemen, ook al beging zij dé doodzonde : zonder overleg aan de ingeleverde tekst knoeien. Dat zij met Geen Kind Meer in 1996 de Annie M.G. Schmidt Prijs won, kon hem nauwelijks milder stemmen. Het kwaad was al geschied.

Het incident was voor Boerstoel een van de redenen om voorlopig een punt te zetten achter zijn theaterwerk. Naast de kwestie Bloemen moest hij bovendien constateren dat de nieuwe generatie cabaretiers nauwelijks nog een beroep doet op materiaal van buitenaf – al zou dat het niveau vaak opkrikken.

Toch is het geen cold turkey voor Boerstoel geworden. De ontwenningsverschijnselen bestrijdt hij met een wekelijks tienregelig actueel versje, het Boerstoel-sonnet, in de zaterdagbijlage van het Algemeen Dagblad. Daarnaast werkt hij in alle rust aan een mini-opera over een opstandig jongetje dat de reïncarnatie-cyclus wil doorbreken. Maar klanten die met een idee voor een nieuw liedje langskomen wordt vriendelijk maar beslist de deur gewezen.

Boerstoel is de afgelopen weken samen met Jurrian van Dongen een veelgevraagd duo voor radioprogramma’s. De oude rot in het vak die door het Amsterdams Kleinkunst Festival even op de troon wordt gezet, en een de meest belovende vertegenwoordigers van de nieuwe lichting, die voor hetzelfde festival een muziektheatervoorstelling schreef over Simon Carmiggelt.

Van Dongen is inmiddels zo gewild in het theatercircuit dat hij van de opbrengst van zijn werk drie keer per jaar op vakantie gaat. Die luxe is weinig tekstdichters gegund; ook Boerstoel is er nooit rijk van geworden. Maar hij is meer ontstemd over het feit dat de liedtekst, ondanks de emanciperende rol van Annie Schmidt, door de hogere letteren-kringen nog steeds wordt gezien als de ‘hoer van de poëzie.’

Komrij heeft in de herziene druk van zijn poëzie-overzicht van de 19e en 20ste eeuw wel een paar Boerstoel-versjes opgenomen, maar geen liedtekst. ‘En dat terwijl veel beroemde gedichten uit de Middeleeuwen aanvankelijk niet voor het papier bestemd waren, maar als liedtekst zijn geschreven. In een moderne poëzie-bloemlezing horen Guus Vleugel, Annie Schmidt en Jacques van Tol zeker thuis.’ De Boerstoel-liefhebber komt toch wel aan zijn trekken. Dit najaar verschijnt Veel Werk, het overzicht van dertig jaar Jan Boerstoel.

De dichter schudt heftig het hoofd als hem gevraagd wordt of hij, als Van Kooten en De Bie, iets toegevoegd heeft aan de Nederlandse taal. ‘Misschien hebben de kroeggedichtjes die ik eind jaren zeventig heb geschreven zich van mij losgezongen. Ik kom de opmerking ‘drinken doet een beetje zeer’ nog wel eens tegen. En op het herentoilet las ik eens zonder bronvermelding mijn gedicht Natuurliefhebber: Het mooiste gezicht volgens mij/zijn veertig flessen op een rij. Op het toilet, dat is toch een mooi soort onsterfelijkheid.’

Nu hij cabaretiers niet meer van losse nummers voorziet, verdient Boerstoel de kost als voorzitter van Buma/Stemra. Stoort het hem niet dat hij in die hoedanigheid de belangen moet behartigen van tekstdichters die in zijn ogen ongetwijfeld tot de taalprutsers kunnen worden gerekend? ‘Ach, Wim Kok is het waarschijnlijk ook niet eens met het gedrag van alle Nederlanders.’

De understatements, melancholie en milde ironie van Boerstoel herinneren aan Simon Carmiggelt. Toen Kronkel stierf, schreef Boerstoel dat hij zich voor de eerste keer een beetje wees voelde. Met Carmiggelt heeft hij ook gemeen dat hij graag worstelende mensen beschrijft, die het moeilijk hebben met de wereld en zichzelf. En vaak met de droeve conclusie dat je het nooit goed doet.

Misschien wel de mooiste en meest wrange tekst met dat onderwerp is Iemand moet het doen. Martin van Dijk zette er een felle tango-melodie onder en Jenny Arean had exact de juiste toon te pakken, die ergens blijft steken tussen wanhoop en berusting.

‘Het idee ontstond toen Aad Kosto, staatssecretaris van Justitie, letterlijk onder vuur kwam te liggen vanwege zijn vluchtelingenbeleid. Toen bedacht ik: wie heeft er nou ook zin in zo’n baan? Wie neemt de verantwoordelijkheid voor een akelig beleid waardoor hongerlijers naar hun armoeland worden beschikt waar ze alleen gras te vreten hebben?

‘Ik denk niet dat ik de beul kan zijn als hier de doodstraf bestond. Waarschijnlijk ook niet de directeur van de gevangenis die tegen de beul zegt dat hij die meneer zijn kop moet afhakken. Maar parlementslid of minister die zo’n wet maakt? Ach, misschien wel.’

Waar historici en sociologen vuistdikke boeken nodig hebben, komt Boerstoel vaak in vier coupletten tot de kern van een zaak – zonder de nuance uit het oog te verliezen. ‘Ik heb me nooit bezig gehouden met strijdpoëzie waarbij je onder het geroffel van knetterende marsmuziek roept: we doen het zus of we doen het zo. Zelfs eind jaren zestig, begin jaren zeventig deed ik daar niet aan mee. Het grote voordeel is dat ik daar nu dus ook geen afstand van hoef te nemen.’